Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

49

Op zekeren dag bevalt zij van een tweeling, waarvoor Sam en Simon dus beiden moeten zorgen. Na een week is één der tweelingen echter overleden. Simon hoort het 't eerste en zegt tegen Sam met een door tranen bewogen stem: .Mijn arm kind is dood."

„Wat bent U van beroep?" vraagt de rechter aan Isaac Medalje. En Isaac Medalje antwoordt:

„Minjenman" (Minjenmannen zijn mannen, die in dorpen met weinig inwoners de Godsdienstoefening aanvullen, aangezien hierbij steeds tien manlijke Joden aanwezig moeten zijn.)

„Wat is dat, Minjenman?" vraagt de Rechter.

Isaac Medalje weet niet hoe hij het uit moet leggen en antwoordt:

„Als er negen mannen zijn, dan ben ik de tiende."

De rechter kijkt hem stom-verwonderd aan en zegt:

„Dan ben ik óók Minjenman, want als er negen mannen zijn en ik kom er bij, dan ben ik dóA: de tiende."

Hierop grinnikt Isaac Medalje en antwoordt:

„Neen Edelachtbare, U niet, maar hier Mijnheer de Advocaat, Mr. Cohen wel."

Isaac: „Wat is het heele jaar? een tredmolen, van Pesach naar Poerem, van Paschen naar Pinksteren, van Pinksteren naar Paschen."

Jacob; (zijn gezicht afvegend:)

„Als het je misschien hetzelfde is, zeg dan liever: van Kerstmis naar Nieuwjaar en van Nieuwjaar naar Kerstmis."

Salomon Goudsmit moet voor zijn dochter, die voor zeer ontwikkeld doorgaat, het bekende boek koopen: „Brieven, die hem nooit bereikten".

Hij komt in den boekwinkel en zegt:

„Hebt Lï dat boek: ,J$rieven, die niet aankwamen?"

Waarop de winkeljuffrouw antwoordt:

„U bedoelt: „Brieven, die hem nooit bereikten."

Hierop zegt Salomon Goudsmit met een afwerend gebaar:

„Nou, in ieder geval is het over een verkeerde bestelling van de post."

Sluiten