Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

18

DE TRAKTEMENTSREGELING EENE ZAAK DER GEMEENTEN.

Maar de regeling der traktementen is eene zaak gebleven van de gemeenten. Zij is dat gebleven ook na 1816. In het toen vastgestelde Alg. Reglement voor het Bestuur vindt men hieromtrent g e e n e bepaling. Dit ligt in den aard der zaak, omdat 't hier betreft eene beheers- en niet eene bestuursaangelegenheid. De regeling van deze materie behoorde dus niet tot den kring van bevoegdheden, in 1816 aan de Synode opgedragen. Wel vinden wij hieromtrent eene bepaling in de door den koning later vastgestelde reglementen op het beheer, waar zoodanige bepaling dan ook op haar plaats was. Die bepaling bedoelde echter geenszins om aan de gemeenten de regeling van deze zaak te onttrekken, maar erkende integendeel dat zij behoorde tot de competentie der gemeente. Ik bedoel art. 24 sub 3 der voor de verschillende provinciën vastgestelde reglementen „op de administratie der kerkelijke fondsen en de kosten van de eeredienst bij de Hervormde gemeenten in Nederland". Art. 24 zegt, dat op de begrooting der gemeenten als „posten van uitgave kunnen

worden gebracht 1° , 3°. het tractement, verhooging

van tractement of toelagen van de predikanten". De vaststelling dier begrooting werd door de artikelen 26 en 27 erkend als een recht der gemeente. Alleen moest een afschrift van de begrooting worden gezonden aan het Provinciaal College van Toezicht „ter informatie". Dit is de eenige bepaling omtrent de predikantstraktementen in de reglementen op het beheer. Zelfs Koning Willem I dus, die door zulk een sterken centralisatiegeest bezield was, heeft er niet aan gedacht zich in deze gemeentelijke aangelegenheid te mengen.

En nu de Synode! Nog voor kort was zij overtuigd niet bevoegd te zijn een minimum-traktement vast te stellen.

Zoo in 1910, toen de Classicale vergadering van Heusden had voorgesteld artikel 67 Regl. op de Vacaturen te wijzi-

Sluiten