Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

22

DË SYNODE „LAAT HET RECHT IN HET MIDDEN".

worden de bijdragen van de gemeenten bepaald „naar hare draagkracht". „Hierbij wordt rekening gehouden met de inkomsten uit de kerkgoederen en pastoriegoederen en de inkomsten van de leden der gemeente, maar ook met hetgeen de gemeenteleden voor de behoeften van de eigen gemeente moeten opbrengen."

Waaraan meent de Synode het recht te kunnen ontleenen deze bijdragen van de gemeenten te vorderen? Deze vraag ligt voor de hand. Zij ligt zóó voor de hand, dat zelfs de commissie voor de concept-regeling der predikantstraktementen en -pensioenen in haar rapport van 21 April 1920 (waarmede de Synode zich vereenigde) schreef: „Hier komt natuurlijk dadel ij k de vraag naar den rechtsgrond van dezen eisch." En wat antwoordde de commissie op deze door haar zelf naar voren gebrachte vraag? Niets anders dan dit: „De commissie laat deze vraag in het midden" (Handel. Syn. 1920 bl. 13).

Ik onthoud mij liever van eene qualificatie van dit antwoord, want zij zou wellicht wat scherp uitvallen. En er is toch oók iets aantrekkelijks in deze korte verklaring der commissie, waaraan de Synode haar zegel hechtte: zij is min of meer verbluffend door hare openhartigheid. Eigenlijk is het niets nieuws en niets vreemds wat het hoogste kerkbestuur hier verklaart. Wij schrikken alleen maar een weinig, doordat het nu, voor 't eerst, zoo openlijk uitspreekt : „de Synode laat het recht in het midden." Welzeker, daarmede blijft zij immers in de historische lijn: van haar eerste optreden in 1816 af is het recht in het midden gelaten. Wat zal de Synode zich vermoeien met te zoeken naar een rechtsgrond voor haar reglement op de predikantstraktementen, terwijl zij zelve voor haar eigen bestaan geen anderen rechtsgrondslag kan aanwijzen dan de jammerlijke fictie van de „aanvaarding rebus ipsis et factis" door de gemeenten! De Synode zelve mist een deugdelijken grondslag. Dit kwaad wreekt zich in al hare handelingen.

Sluiten