Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

19

Een vonnis dat als grondslag in deze materie mag worden aangezien is dat van de Arr. Rb. te Rotterdam van 19 Dec. 1898, W. 7290. Dit vonnis maakt uit dat bij gemis van een legaal tarief bij de betaling van geneeskundige diensten ook gelet moet worden op den stand en het vermogen van den patiënt en dat bij verschil van meening tusschen de partijen het honorarium door den rechter ex aequo et bono dient te worden vastgesteld.

Een tarief dat door den geneeskundigen kring te Amsterdam is bepaald kan echter niet tot maatstaf strekken voor het platteland.

Dat de financieele positie van den patiënt van invloed is bij het berekenen van het honorarium door den geneesheer, wordt ook ingezien door den kantonrechter te Ridderkerk, die immers bij vonnis van den 21 Januari 1899, W. 7353, overwoog dat ter beoordeeling van de vraag of het salaris door een geneesheer aan zijn patiënt in rekening is gebracht naar een billijken maatstaf, acht geslagen dient te worden op de financieele positie van den patiënt.

De kwestie hoe het honorarium moet worden berekend als de patiënt zelf weliswaar onvermogend, doch degeen die de behandeling voor zijne kosten heeft genomen welgesteld is, heeft de rechtbank te Zierikzee beslist dd. 17 April 1900, W. 7492.

Het bedoelde vonnis zegt o.a.:

De bepaling van het honorarium van den geneesheer is niet geheel aan dezen overgelaten, maar moet bij geschil geschieden door den rechter in overeenstemming met het gebruik en de billijkheid. Wanneer de patiënt zelf onvermogend is, maar degene, voor wiens rekening hij is behandeld vermogend is, mag de geneesheer zoodanig honorarium in rekening brengen, alsof hij iemand had behandeld, die niet onvermogend is, maar in staat om de door hem bewezen diensten naar billijkheid te betalen, zonder dat daarom de geneesheer mag rekenen naar den maatstaf, alsof hij den vermogende persoonlijk hadde behandeld.

Sluiten