Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IO

meerde schrijver, door zich onjuist of onbeholpen uit te drukken, niet zelf aanleiding tot dit misverstand heeft gegeven, maar Gereformeerd, Calvinistisch is zulk een voorstelling niet.

Het beeld (van Dr. Kuyper) maakt o.i. de zaak genoegzaam duidelijk. Hij zegt: Wie ent, plant geen nieuwen stam, maar wendt zich tot een stam, die er is. Die stam leeft, en drijft sap uit den wortel naar boven op, maar dit levenssap is te wild en kan daarom geen gewenschte vrucht dragen. En nu komt de enter, brengt in dien wilden stam het oogje in van een edeler plant en weet door deze inenting teweeg te brengen, dat het levenssap van den wilden boom wordt omgezet en overgaat in vruchthout, waaraan de gewenschte vrucht rijpen kan. Dan staat niet de edele stek naast den wilden stam, maar er in; en gelukt de enting, dan kan men evengoed zeggen, dat het edele hout uit den wilden stam leeft als dat de wilde stam alleen door het edele hout tot iets nut is. En zoo is het metterdaad ook hier. De wilde stam is de zondaar, in wiens natuur de natuurlijke Godskennis werkt als de aangeboren drijfkracht. Laat ge nu die natuurlijke Godskennis aan zichzelf over, dan krijgt ge nooit iets anders dan wild hout en de vrucht der kennis komt niet. Maar brengt God de Heere nu van buiten af de loot van een edele stek (Godskennis uit de Schriftuur) in dezen wilden stam, d. i. in dezen natuurlijken mensch in, dan komt er niet een mensch naast een mensch, een kennis naast een kennis, maar blijft uit de menschelijke natuur de wilde kracht d. i. de ongereede kennis opkomen; maar het ingeente, het nieuwe, de loot, brengt teweeg, dat deze drijvende kracht wordt omgezet en vrucht van ware kennis afwerpt.

Dit zou niet mogelijk zijn, indien de kennisse Gods uit de natuur van gansch anderen aard ware dan de kennisse Gods uit de Schriftuur. Evenwel, ze verschillen wel in kwaliteit, niet in aard.

Er is een hoogere eenheid in die beide, nl. ze zijn beide uit God den Heere, Hij is van beide het voorwerp.

Bovendien is beider doel niet om ons van het natuurlijke leven los te weeken, om een apart, doopersch leventje in te stellen, maar om heel het leven, thans gevallen, in gaven staat onvalbaar te herstellen.

De belijdenis der natuurlijke Godskennis is een rechtstreeksche en duidelijke ontkenning van de dwaling, als zou de mensch eigenlijk als een stuk wit papier op aarde zijn gekomenf waarop nu God of Satan of medemensen zullen trachten te schrijven wat ze willen.

't Is die natuurlijke Godskennis ook, die duidelijk bewijst, dat niet de mensch wetgever is of zijn besef de maatstaf voor goed en kwaad (Rom. 2 : 14, 15), een stelsel, dat heel het zedelijk leven op losse schroeven zet. Men schatte de beteekenis der natuurlijke Godskennis niet te laag.

Immers, ze wijst op de verhouding tusschen God en mensch; ze bewijst, dat Godsdienst den mensch en zijn natuur niet is als iets

Sluiten