Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

volk en de troonsbeklimming van Jahwe als tegenwoordig beschreven, als op dit bepaalde oogenblik geschiedende. Zooals Mowinckel, hoewel dan weer met de eenzijdigheid, die aan alle baanbrekers eigen is, heeft aangetoond, zijn deze en dergelijke psalmen cultische liederen: jaarlijks gezongen bij den tempel van Jeruzalem bij gelegenheid van het groote najaarsfeest, dat in het tijdperk vóór de ballingschap bij den tempel werd gevierd en dat eerst later is afgescheiden van den Verzoendag en het loofhuttenfeest. Bij gelegenheid van dit feest, dat verscheiden dagen moet hebben geduurd, werd de ark des verbonds als de troon van den — zelf onzichtbaren — God in feestelijken optocht naar een plaats ten Zuiden van het oude Jeruzalem gereden, waarschijnlijk bij de tegenwoordige Maria-bron, of in het dal Kidron; en hier werd de strijd met de vijanden en de machten der duisternis en de overwinning dramatisch opgevoerd. Als Jahwe na deze overwinning — waarbij men tegelijk de wereldschepping en den uittocht uit Egypte schijnt te hebben herdacht — luisterrijk naar zijn tempel terug was gekeerd, dan vierde men jubelende het feest van zijn troonsbeklimming, in de overtuiging, dat Hij, de overwinnaar en wereldschepper, nu ook „het lot van de zijnen zou doen verkeeren" en aan zijn volk in hernieuwing van het verbond heil en voorspoed zou schenken. Men bepaalde zijn gedachten bij het verleden, dat men zich naar de analogie van de bij dit feest gebruikelijke riten placht voor te stellen: evenals Jahwe bij de wereldschepping en bij den uittocht uit Egypte de machten der duisternis overwonnen had, zou Hij het ook in het nieuwe jaar doen. Maar toen deze verwachting, die hoe langer hoe jubelender werd gekoesterd, telkens opnieuw teleurgesteld was, toen vluchtte men daarmede naar een verre toekomst, naar het einde der dagen. Zoo heeft de Israëlietische Eschatologie haar diepsten wortel in den cultus.

Sluiten