is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek van het Nederlandsche strafrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 455 —

§ 78.

De klacht.

Lit.: Schönfeld, Klachtdelicten, diss. Groningen, 1886; All-

feld in Vergl. Darst., Allg. Teil, Bd. II, blz. 161 v. i

1. De bevoegdheid tot het instellen van een strafactie (Strafklage) komt in den regel toe aan het O. M., onafhankelijk van den wil of wensch van hem, tegen wien het feit is gepleegd.

Bij uitzondering kent ons recht delicten, die niet kunnen worden vervolgd, als niet deze vervolging aan het O. M. „gevraagd" wordt

Deze, bij het O. M. ingediende verklaring nu, dat men de vervolging van zulk een delict wenscht, heet klacht, en delicten, waarbij zulk een klacht voorwaarde is voor de uitoefening der strafactie heeten klachtdelicten (Antragsdelikten).

Het rechtspolitisch motief dezer instelling is hierin gelegen, dat bij sommige delicten het belang, dat de staat bij de vervolging dier delicten heeft, gesubordineerd is aan de behoefte aan of het verlangen naar genoegdoening van den gekrenkte. Wenscht de gekrenkte deze genoegdoening niet, dan legt de Staat zich hierbij neer en de vervolging blijft achterwege; de actie kan dan niet worden ingesteld. Zoo bezien is de klacht niet een voorwaarde voor het subjectieve strafrecht, voor de strafvordering derhalve, maar is deze van formeelrechtelijke natuur, alleen betrekking het> bend op het Strafktagerecht, een voorwaarde voor de strafactie Hare behandeling behoort dan ook systematisch in de leer van het strafprocesrecht1).

2. De wet geeft niet een opsomming van klachtdelicten, doch bepaalt bij hare regeling van het klachtdelict in het bijzonder deel van het W. v. Sr., dat ter zake van dit misdrijf geen vervolging plaats heeft dan op klachte van een bepaald aangewezen persoon.

Klachtdelicten zijn volgens onze wet (behalve talrijke gevallen in bijzondere wetten geregeld) alleen bepaalde misdrijven: Overspel (art. 241 Sr.), cohabitatie met een vrouw tusschen 12 en 16 jaren (art. 245 Sr.), verleiding tot cohabitatie van een minderjarige van onbesproken gedrag (art 248 ter Sr.), schaking (art 281 Sr.), beleediging en verwante delicten (art 269—271, 284», 420 Sr.'

0 Simons spreekt bij de (absolute) klacht van een voorwaarde voor de vervolgbaarheid (t.a.p., dl. I, blz. 305 v). Waarom dan de Jclacht van materieelrechtelijken aard beschouwd?