is toegevoegd aan uw favorieten.

Schets van het Nederlandsche burgerlijk procesrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

38

wanneer de gedaagde verstek liet gaan of de gestelde feiten erkende (geen verweer voerde). Het kan echter wel voorkomen dat de wet naar de letter toegepast voor het aan zijn beoordeeling onderworpen geval geen oplossing geeft. Dan zal de rechter naar den geest van de wet zijn uitspraak doen. Daartoe zal hij vaak den zin van een wettelijke regeling moeten nagaan of onderzoeken wat op verwant gebied de wet voorschrijft en zoo door uitlegging of door analogie de rechtsvraag beslissen. Komt hij op deze wijze niet tot een resultaat, dan zullen de algemeene rechtsbeginselen, die aan onze wetgeving ten grondslag liggen, hem moeten leiden. De gewoonte kan soms een aanwijzing geven. Op zich zelf echter is de gewoonte geen rechtsbron, wanneer de wet daarnaar niet verwijst (art. 3 A. B.). Daar echter de wet dit o.a. doet bij overeenkomsten (1375 B. W.: overeenkomsten verbinden niet alleen tot datgene hetwelk mtdrukkehjk bij dezelve bepaald is, maar ook tot al hetgeen naar den aard van dezelve overeenkomsten door de billijkheid, het gebruik of de wet wordt gevorderd) zal de rechter zeer vaak ook de gewoonte als bron van recht hebben in het oog te houden. Bovendien mag men niet voorbijzien, dat de rechter allerlei ongeschreven en door de gewoonte ontstaan recht door uitlegging en analogische toepassing in een verouderde wetgeving weet te lezen, waardoor rechtswijzigingen van verstrekkende beteekenis worden tot stand gebracht. Als voorbeeld moge verwezen worden naar het arrest van den H. R. van 31 Jan. 1919 (N. J. 19 bl. 161) waarbij onder art. 1401 B. W. werd gebracht: „iedere handeling die inbreuk maakt op eens anders recht, in strijd is met een door de wet opgelegde verpUchting of indruischt hetzij tegen de openbare orde of goede zeden, hetzij tegen de zorg die in het maatschappelijk verkeer betaamt ten aanzien van eens anders persoon en goed", terwijl tot dien tijd onrechtmatig handelen van de soort als in de gecursiveerde woorden is aangewezen niet blootstelde aan een veroordeeling tot schadevergoeding, omdat naar de algemeene opvatting art. 1401 B. W. deze handelingen niet omvatte. Wordt voorts de rechter geroepen, over een rechtsbetrekking te oordeelen, die onder een buitenlandsche wetgeving is gevestigd, dan zal hij soms genoodzaakt zijn, een vreemde wet toe te passen, nu eens volgens een uitdrukkehjk wetsvoorschrift, of volgens een bij de wet goedgekeurd tractaat van internationaal recht, dan weer