is toegevoegd aan uw favorieten.

Schets van het Nederlandsche burgerlijk procesrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

89

dat eene rechtsvordering ontstaat in een rechteverwikkeling, waarin reeds een rechter gemoeid is.

De rechter eener zwevende rechtsverwikkeling. Een dergelijke vordering behoeft niet door een dagvaarding te worden ingeleid. Is dit wel geschied dan zal het licht gebeuren dat twee vorderingen, die toch met elkaar verband houden, bij distributief verschillende rechters zouden zijn aangebracht Er zou dan grond bestaan van een der beide zaken de verwijzing te vragen naar den rechter voor wien de „verknochte" zaak hangt om die beide zaken vervolgens (samen) te voegen.

Eisch in reconventie. Men kan echter, geroepen om voor den rechter te verschijnen en zelf een vordering bewerend te hebben — ook indien van samenhang niet gesproken kan worden — tegen den oorspronkehjken eischer (in conventie, van convenire = samentreffen) bij eenvoudige conclusie, bevattende wat anders in de dagvaarding zou staan, in reconventie een tegenvordering instellen, ook dan wanneer de rechter daartoe in betrekkehjken zin niet de bevoegde zou zijn. Slechts moet volgens art. 250 Rv. de rechter in absoluten zin bevoegd wezen. Een en ander is overigens, waar partijen toch al eenmaal voor den rechter tegenover elkaar staan, alleszins begrijpelijk. (Zie over deze reconventie voorts het hoofdstuk X). Vrijwaring. Het kan ook gebeuren, dat iemand voor een recht, dat hij tegenover een ander bij den rechter wenscht te handhaven, zich op een derde moet beroepen niet als getuige, maar als dengene, die rechtens gehouden is, hem het be^ staan van dat recht te waarborgen. En zoo kan het ook gebeuren, dat iemand tegenover den aanval, dien een ander in rechte op hem doet wegens inbreuk op zijn recht, zich op een derde moet of kan beroepen, om dien aanval af te weren. Als voorbeeld van het eerste geval moge het volgende dienen. Iemand dagvaardt zijn buurman, bewerende op diens erf een voortdurende en zichtbare erfdienstbaarheid te hebben op grond, dat dit erf en het zijne aan denzelfden eigenaar hebben toebehoord en dat deze die erven in zoodanigen toestand heeft gesteld, dat daaruit de erfdienstbaarheid zou zijn ontstaan, indien zij toen reeds aan verschillende eigenaren hadden behoord en de eigenaar van het lijdende erf dit had toegelaten (art. 747 B. W.). Als voorbeeld van het tweede geval gelde het volgende. Iemand heeft van een