is toegevoegd aan uw favorieten.

Beknopte handleiding tot het Wetboek van strafvordering

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

212

van justitie en den verdachte vooraf hooren. Naar aanleiding van de verwering van den verdachte of het gehoord worden door de rechtbank kan de officier wijzigingbrengenin de dagvaarding overeenkomstig de hierna te bespreken artt. 318 en 814.

Wanneer van de bij art. 279 gegeven bevoegdheid geen gebruik is gemaakt of de voorgedragen verwering is verworpen, zal de officier van justitie de zaak voordragen, art. 280 lid 1. Die voordracht bestond naar de gangbare practijk, naar welke practijk in de Memorie van Toelichting bepaaldehjk werd verwezen1), alleen in de voorlezing der dagvaarding 2).

De officier zal verder eene lijst overleggen van de door hem of door den verdachte gedagvaarde getuigen. De voorzitter doet die lijst door den griffier voorlezen. Alleen die getuigen zullen op deze lijst worden gebracht, wier namen door den officier aan den verdachte of door dezen aan den officier zijn beteekend, en degenen, die ten verzoeke van den verdachte door den officier zijn gedagvaard 8).

Op vordering van den officier of op verzoek van den verdachte worden echter alsnog op de lijst gebracht daarop niet voorkomende doch op de terechtzitting aanwezige getuigen, art. 280 hd 8.

Alle verschenen getuigen moeten worden gehoord, aldus zoowel die, welke oorspronkelijk op de hjst voorkwamen als die, welke er later op zijn gebracht, tenzij de rechtbank met toestemming van officier van justitiewlrerdachte van hun verhoor afziet *).

Wanneer een getuige, wiens naam op de hjst voorkomt niet is verschenen, zal de rechtbank, tenzij van zijn verhoor wordt afgezien met toestemming van officier en verdachte, bevelen dat hij tegen een door haar te bepalen tijdstip ter terechtzitting zal worden gedagvaard of schriftelijk opgeroepen. Zij kan daarbij tevens zijne medebrenging gelasten, art. 282.

De voorzitter kan met toestemming van den officier van justitie

») Blz. 140.

») De H.R. besliste, dat de overeenkomstige bepaling van art. 154 lid 1 oud niet op straffe van nietigheid was voorgeschreven en niet betrof een substantieelen vorm. Vgl. de arresten van 13 Maart 1905, W. 8191, 18 Dec. 1905, W. 8313 en 24 Juni 1907, W. 8576.

») M. v. T. blz. 140.

♦) Eenzijdig afzien van het verhoor van een verschenen getuige is niet toegelaten; vgl. M. v. T. blz. 140/141; anders vroeger H. K. 11 Februari 1911, W. 9151.