is toegevoegd aan uw favorieten.

Beknopte handleiding tot het Wetboek van strafvordering

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

248

trent in andere landen was geschied Bij de genoemde wet van 1921 werd nu in art. 50 van de wet op de rechterlijke organisatie de bepaling opgenomen dat door de Kroon uit een lid bestaande (enkelvoudige) kamers voor de behandeling van burgerlijke kinderzaken zouden kunnen worden gevormd en bezet overeenkomstig door de Kroon te stellen regels. Aan die enkelvoudige Kamer zou dan zijn opgedragen de rechtsmacht in burgerlijke zaken naar de bij het Burgerlijk Wetboek gegeven regeling, terwijl naar het bij de genoemde wet vastgestelde art. 227g Wetb. v. Strafv. die kamer ook belast zou zijn met de behandeling van kinderstrafzaken volgens de bepalingen van den nieuw ingelaschten Vierden Titel A.

Omtrent den persoon van den kinderrechter werd het stelsel aanvaard, dat die rechter zou zijn een lid der rechtbank, doch dat indien dit voor de goede bezetting der enkelvoudige kamer voor de behandeling van kinderzaken wenschelijk werd geoordeeld, de kroon het maximum aantal rechters mocht overschrijden *). De kinderrechter mocht dus worden benoemd buiten de leden der rechtbank, doch werd dan bij zijne benoeming lid der rechtbank, zoodat hij ook met andere werkzaamheden zou kunnen worden belast. Bij de uitvoering der wet, die met 1 November 1922 is in werking getreden (K. B. 4 October 1922 Stb. 544), zijn alleen reeds zitting hebbende leden der rechtbanken tot kinderrechter benoemd: van de zooeven genoemde bevoegdheid is ter wille van de 2iuinigheid geen gebruik gemaakt.

Enkelvoudige kamers voor de behandeling van kinderzaken zijn ingesteld bij alle rechtbanken, zoodat thans in het geheele land de behandeling en de berechting van strafzaken tegen minderjarigen, die den leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt, is opgedragen aan den kinderrechter, volgens de bepalingen bij de artt. 227r—227« Sv. in overeenstemming met de wet van 5 Juli 1921, vastgesteld. Naar art. 100 van de Invoeringswet

») Men vgl. uit de literatuur over het onderwerp, het academisch proefschrift van Mr. J. A. van Verschuer over Kinderrechtbanken, Utrecht 1912, en de behandeling in de Nederl. J. V. van 1917 met de adviezen van mrs. A.de Graaf en J. A. A. Bosch (W. 10103 en W. 10111); verder het artikel van mr. S. J. M. van Geuns in T. v. S. XXVIII, bl. 363.

») Zie over het bij ontwerp en wet aangenomen stelsel het Verslag van de Alg. Verg. van den Nederl. Bond tot Kinderbescherming van 8 Mei 1920.