is toegevoegd aan uw favorieten.

Beknopte handleiding tot het Wetboek van strafvordering

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

272

medegedeeld. Gaat het bevel tot vervolging uit van de Tweede Kamer, dan zal daaraan eene uitvoerig geregelde instructie voorafgaan van eene uit de Kamer benoemde commissie van onderzoek, die volgens art. 11 belast zal zijn met het opsporen en verzamelen van alle bescheiden, inhchtingen en bewijzen, die tot opheldering van de feiten, in de ingediende aanklacht vermeld, kunnen leiden. Als dat onderzoek is afgeloopen, zullen, nadat den aangeklaagden ambtenaar alle gelegenheid zal zijn gegeven om zich te verdedigen, de te laste gelegde feiten, volgens art. 18, door de Tweede Kamer worden getoetst aan het recht, de billijkheid,- de zedelijkheid en het staatsbelang. Vindt de Kamer ten slotte, dat er gronden tot vervolging bestaan, dan zal zij bij haar besluit de feiten, waarop de beschuldiging rust, nauwkeurig aanwijzen en den procureur-generaal bij den Hoogen Eaad met de vervolging belasten. Betwijfeld mag worden of eene dergelijke procedure geacht kan worden voor al de strafbare feiten, onder art. 92 vallende, aan de eischen der practijk te beantwoorden !). Bij de toelichting op art. 488 werd alleen gesproken over de vraag, of de gehandhaafde procedure ook aangewezen was voor de gemengde ambtsmisdrijven, volgens het tweede lid van art. 92 E. O. onder de bijzondere competentie gebracht 2). Af gescheiden daarvan kan worden gezegd, dat zij niet past voor de andere ambtenaren ' dan de Ministers, in art. 165 Gw. genoemd. Zoodra de last tot vervolging is ontvangen, moet naar de slotbepaling van art. 488, de procureur-generaal onmiddellijk daaraan gevolg geven. Eene beslissing in raadkamer komt dan niet te pas. Wel kan nog een nader onderzoek plaats vinden en daartoe kan volgens art. 484 no. 1 door den procureur-generaal worden gevorderd, dat de Hooge Eaad een raadsheer-commissaris uit zijne leden aanwijst. Indien echter door dien raadsheer-commissaris een voorbereidend onderzoek heeft plaats gevonden, komt eenige nadere beslissing op grond daarvan niet meer te pas. De bepalingen van de artt. 287—255 omtrent de sluiting van het onderzoek en de verdere procedure in verband daarmee gelden volgens art.

1) Buys, De Grondwet, dl. 2 bl. 542 en 453. A.A. de Pinto, Het herziene W. v. S., II, bl. 432.

2) Bl. 322.