is toegevoegd aan je favorieten.

Beknopte handleiding tot het Wetboek van strafvordering

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

279

Bij bekrachtiging van het vonnis is eene motiveering van de schuldigverklaring in bijzonderheden niet noodig, doch kan de rechter volstaan met het aangeven van de redenen, waarom hij zich met het aangevallen vonnis vereenigt1).

Blijft de persoon, die in verzet is gekomen, op den dag, voor de behandeling zijner zaak bepaald, wederom weg, dan zal zijn verzet worden vervallen verklaard en het verstekvonnis zal voor onmiddellijke tenuitvoerlegging vatbaar zijn, art. 402. Deze zelfde bepaling kwam voor in art. 267 oud lid 1. Daaraan was reeds door den H. B. deze vrijgevige uitlegging gegeven, dat indien de in verzet gekomen veroordeelde door ziekte verhinderd was te verschijnen, de rechter uitstel van behandeling mocht toestaan, arrest 19 Maart 1900, W. 7412. Thans bepaalt art. 402 lid 2 in overeenstemming met het bij de genoemde wet van 1919 gewijzigde art. 267 oud, dat de rechter bij niet-verschijning van den verdachte een of meermalen schorsing van het onderzoek kan bevelen ten einde den verdachte alsnog in de gelegenheid te stellen het onderzoek bij te wonen. Verschijnt deze ten sjotte niet, dan wordt het verstek vervallen verklaard.

Beroep tegen het de vervallenverklaring uitsprekende eindvonnis blijft toegelaten, evenals beroep van het openbaar ministerie tegen het bij verstek gewezen arrest of vonnis.

§8. Het hooger beroep.

Zooals wij vroeger gezien hebben bij de behandeling van de volstrekte bevoegdheid, is volgens de wijziging bij de wet van 1884 in de rechterlijke organisatie gebracht het hooger beroep toegelaten van alle vonnissen door de arrondissements-rechtbanken ter zake van misdrijf gewezen a). Over de wenschehjkheid om het appel in strafzaken al dan niet te behouden, werd

') Vgl. omtrent de overeenkomstige bepaling van art. 267 lid 1 oud: H. R. 4 Maart 1907; W. 8507,15 Mei en 26 Juni 1911; W. 9194 en 9216, 6 November 1916; W. 10039. Anders Hof Arnhem, 22 December 1904; P. v. J. no. 469.

*) Thans ook van de vonnissen, ter zake van overtreding gewezen, wanneer de verdachte tijdens de uitspraak van het vonnis in eersten aanleg den leeftijd Tan achttien jaren nog niet heeft bereikt.