is toegevoegd aan je favorieten.

Beknopte handleiding tot het Wetboek van strafvordering

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

825

bij welke latere wetten de in de wet van 1822 gemaakte onderscheiding tusschen de vervolging tot vrijheidsstraf, welke aan "het 0. M. bleef opgedragen en die tot boeten en verbeurdverklaringen niet is overgenomen*) — worden alle bemoeiingen van het O. M. opgedragen zoowel in eersten aanleg als in hooger beroep aan den met de vervolging belasten bijzonderen ambtenaar, dus door den rijksadvocaat waargenomen, art. 580. In het geval dat eene getuige verdacht wordt zich aan meineed schuldig te maken, art. 298, kan de instelling van een gerechtehjk vooronderzoek zoowel door het O. M. als door den rijksadvocaat worden gevorderd 2).

De aanteekening van hooger beroep kan namens den rijksadvocaat geschieden door een persoon door het bestuur der belastingen daartoe aangewezen, art. 580 lid 1, laatste zinsnede.

Nadat volgens art. 811 de rijksadvocaat en de verdachte het woord gevoerd hebben en deze laatste de gelegenheid heeft gehad het laatst het woord te voeren, worden de stukken gesteld in handen van den officier, die hetzij in dezelfde hetzij in eene volgende terechtzitting zijne conclusie zal nemen. Zoowel de verdachte als zijn raadsman zijn bevoegd om dadelijk tegen die conclusie schriftelijke bedenkingen tot weerlegging van feiten, waarin zij oordeelen dat het openbaar ministerie gedwaald heeft, aan de rechtbank aan te bieden, art. 531. De bemerkingen mogen dus voortaan slechts de feiten en niet het rechtspunt betreffen, vgl. art. 328 Wetb. v. B. B. *).

Art. 251 oud bevatte verschillende bijzondere voorschriften omtrent het hooger beroep in rijksbelastingzaken4). Deze voorschriften zijn in het nieuwe wetboek vervallen. Alleen bepaalt art. 582 thans, in afwijking van art. 408, dat de'termijn voor het hooger beroep van den bijzonderen ambtenaar en van het openbaar ministerie is twee maanden na de uitspraak en voor den verdachte veertien dagen langer.

Art. 538 bevat nog eene regeling omtrent het verzet tegen

') Vgl. Nijpels, t. a. p. no. 147 en 148 en van Nieuwkuijk t. a. p. bl. 141. *) Vgl. naar aanleiding van art. 201 oud Bekn. Handl. bl. 181. ') M. v. T. bij art. 500 bl. 236. 4) Bekn. Handl. bl. 250—252.