is toegevoegd aan uw favorieten.

De toekomst onzer sociale verzekering

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14

Volgens het ontwerp Ziektewet van Minister Veegens daarentegen zouden zij wel onder de verzekering vallen.

Minister Kuyper sloot hen uit, omdat de verplichte verzekering te veel in het gezin zou ingrijpen en Minister Talma oordeelde, dat het weinig aanbeveling verdiende de regeling, welke te dezen aanzien in het Burgerlijk Wetboek is getroffen, te herzien.

Ten aanzien van de verzekering van het huispersoneel deden zich echter niet de technische bezwaren voor als bij de losse arbeiders. Indien dus ten aanzien dezer laatsten een regeling kan worden getroffen om hen in de Ziekteregeling op te nemen, zal het stellig gewenscht zijn, dat alle Verzekeringswetten zich tot allen die in loondienst arbeid verrichten uitstrekken. Maar voorop moet staan, dat bij een uniforme regeling geen groepen mogen worden uitgeschakeld, die thans onder een der wetten vallen.

* * *

Bij den aanvang van mijn betoog zette ik reeds uiteen, dat de Ziekteverzekering de basis van alle verzekeringen moet zijn en dat ook ongevallen, voor zooveel de gevolgen daarvan zich niet langer dan over een bepaalden tijdsduur uitstrekken, onder de Ziekteverzekering moeten vallen. Dit zal niet alleen het geval mogen zijn, ten aanzien van de geldelijke uitkeering, maar ook ten aanzien van de geneeskundige behandeling. Splitsing dezer beide aangelegenheden acht ik ongewenscht. Zoowel Minister Kuyper als Minister Veegens regelden de geneeskundige verzorging in dezelfde wet als de ziekengelduitkeering. In de wet Talma werd dit stelsel niet gevolgd en dit is een ernstige grief, welke ik tegen deze wet heb. Over deze aangelegenheid is uitvoerig gediscussieerd in de vergaderingen van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 20 Juni 1911 en volgende dagen. Het spreekt vanzelf, dat het niet aangaat hier breedvoerig op deze gedachtenwisseling in te gaan, al komt het mij voor, dat de toen gehouden debatten opnieuw practische waarde hebben verkregen.

Minister Talma meende de geneeskundige behandeling niet in de wet te moeten opnemen, omdat z.i. de rechtsgrond tot verplichte verzekering ontbrak en omdat hij den verzekerden geen geneeskundige behandeling kon waarborgen.