is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ABSOLUTIE—ABSTRAHEEREN

25

Absolutie beteekent vrijspraak. Het woord wordt bepaald gebruikt voor de vrijspraak van de zonde. In de Roomsche kerk volgt deze absolutie op de biecht. Met de woorden: ego te absolvo, d.w.z. ik spreek u vrij, verklaart de priester, dat de zonden vergeven zijn. Van de eeuwige straf is de biechteling daarmede ontheven, de tijdelijke heeft hij nog te dragen naar de aanwijzingen van den priester. Ook in de kerken der Hervorming bleef de absolutie bestaan als deel van de liturgie. Echter in anderen zin; het is hier de Dienaar des Woords, die in naam van Christus verklaart, dat aan een iegelijk, die gelooft, de zonden vergeven zijn, vgl. ook Antiwoord 84 van den Heidelbergschen Catechismus. Allengs is echter de absolutie als afzonderlijk deel van de liturgie in vele kerken in onbruik geraakt en in ons land bestaat ze sinds lang niet meer. In het concept door Deputaten ingediend pp de Generale Synode der Geref. Kerken te Utrecht 1923 kwam een absolutie voor, die aldus luidde: Allen, die oprecht berouw hebben over hun zonden en hun toevlucht nemen tot den eenigen Zaligmaker Jezus Christus, verkondig ik de vergeving der zonden in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes. Amen. [ 17.

' Absoluut. Eigenlijk: losgemaakt. In de filosofie beteekent het: los van alle relaties (betrekkingen, verhoudingen, voorwaarden). Deze grondgedachte werd op verschillende wijzen uitgewerkt. Nu eens werd het absolute genomen als los, in den zin van onafhankelijk van de wereld der verschijnselen. Dan weder als los, onafhankelijk van eenige oorzaak, maar zelf oorzaak van alles, alzoo wereldoorzaak, eerste principe van alle wereldgebeuren. Soms zocht men dit onafhankelijk zijn in het bestaan, soms in het menschelijke denken. Kant gaf er o. m. de beteekenis aan van: in alle relaties geldig zijn, alle relaties in zich opnemend, dus het meest volkomene. Zóó werd het in de filosofie van de 19de en 20ste eeuw veelal gebruikt.

Het absolute wordt feitelijk alleen gevonden in den Absolute, in God. Reeds vroeg werd God de Absolute genoemd. Daarbij doet zich deze moeilijkheid voor, dat God niet los is van zijn schepselen. Hij staat daarmee in een ondenkbaar getal relaties. Evenwel — en hierin ligt de oplossing — zijn al deze relaties niet noodzakelijk. God was door niets gebonden een wereld te scheppen. Zijn absoluutheid houdt alzoo in: vrij zijn van alle noodzakelijke relaties. Absoluutheid is daarom identiek met den ouden dogmatischen term aseitas, independentia, onafhankelijkheid. Op grond van deze absoluutheid Gods werd door J. G. Fichte e. a. de persoonlijkheid Gods ontkend. [15.

Absoluutheid van het Christendom. Dit onderwerp maakt een van de groote strijdvragen in onzen tijd uit. Door verschillende beoefenaars van de godsdienstgeschiedenis en de godsdienstfilosofie wordt de absoluutheid van de Christelijke religie kortweg geloochend. Volgens hen is de Christelijke evenals de andere religies relatief. Daarbij noemt de een haar de relatief hoogste, de ander wijst een religie aan, die boven het Christendom uitgaat.

Zij, die de absoluutheid van het Christendom wenschen te handhaven, zijn ook weer verdeeld. Er zijn er, die onder dien term niets anders verstaan, dan dat ze de andere religies ver overtreft en het goede uit alle religies in zich bevat. Wij daarentegen houden het Christendom voor de eenige ware, omdat ze rust in de bijzondere openbaring, in tegenstelling met andere religies, die voor ons pseudo- (valsche) religies zijn, omdat zij de bijzondere openbaring niet tot eenige norm (regel) hebben. Absoluutheid mag hier niet zóó toegepast, als zou het Christendom in geen enkele relatie staan tot de valsche religies, want beide vinden haar aanknoopingspunt in de algemeene openbaring en het zaad der religie, maar de houding tegenover die bijzondere openbaring, waarvan Christus het middelpunt is, beslist. Tusschen het Christendom en de andere religies staat de Christus der Schriften. Daarom is het onderscheid tusschen beide niet gradueel (in graden), maar essentieel (wezenlijk). Aan het Christendom, het ware, beleden en beleefde Christendom, is dan ook de zaligheid gebonden. [ 15.

Abstraheeren. Wanneer ik met de zintuigen de wereld buiten mij waarneem, vorm ik mij van de dingen voorstellingen. Ik heb b.v. een voorstelling van een persoon A. Zulk een voorstelling beantwoordt in mindere of in meerdere mate aan de werkelijkheid. Hoe grooter mijn kennis is, hoe nauwkeuriger de waarneming, des te zuiverder is mijn voorstelling. Nu heb ik behalve van persoon A ook een voorstelling van persoon B, persoon C, persoon D en nog vele andere personen. Wanneer ik de voorstellingen, die betrekking hebben op de onderscheidene personen, met elkander vergelijk, bemerk ik, dat deze personen in vele punten van elkander afwijken, de een is een man, de ander een vrouw, de een is jong, de ander oud, de een is blond, de ander zwart van haar; zoo zouden nog vele lichamelijke en geestelijke verschillen op te noemen zijn. Er zijn evenwel ook enkele kenmerken, waarin al deze personen met elkander overeenkomen. Deze zijn de gemeenschappelijke of wezenlijke kenmerken in onderscheiding van de andere als individueele of toevallige kenmerken. Wanneer ik de toevallige kenmerken (die betrekking hebben op sexe, ouderdom, lichamelijke gesteldheid, begaafdheid, enz.) loslaat, en de wezenlijke kenmerken die alle personen welke ik waargenomen heb, ja die alle menschen gemeen hebben, samenvoeg tot een geheel, krijg ik het begrip mensch, onder welk begrip alle exemplaren van de soort mensch thuis te brengen zijn. Dit begrip is een abstractum, een afgetrokkenheid, waarmee niet onmiddellijk een bepaald ding in de werkelijkheid correspondeert. Door abstractie halen we dus het algemeene en wezenlijke uit de dingen uit. Dit algemeene is evenwel aan eigenschappen tamelijk arm. De werkelijkheid, liet concrete, wat we met onze zintuigen waarnemen, is veel rijker dan het abstracte en begripsmatige. Abstraheeren is die werkzaamheid van den menschelijken geest waardoor wij bij de exemplaren van een bepaalde groep de individueele (toevallige) kenmerken laten vallen en de gemeenschappelijke of wezenlijke kenmerken overhouden en tot een eenheid formeeren.