is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

36

ADONIA — ADRAMMELECH

Adonai uit daar waar de naam Jehovah stond. Daar komt het vandaan, dat in den Hebreeuwschen Bijbel de naam Jehovah met de vocalen van Adonai is aangeduid. Het schijnt dat deze bijgeloovige vreesachtigheid dateert van na de Babylonische ballingschap. De Talmud zegt: „Wie dezen naam (Jehovah) in zijn vier letters uitspreekt, heeft geen deel in de toekomende wereld." [16.

Adonla, de vierde zoon van David bij Haggith (2 Sam. 3 : 4), in schoonheid en eerzucht aan Absalom gelijk. Terwijl deze het volk trachtte op te winden, zocht Adonia door koninklijke gastmalen zich onder de aanzienlijken een partij te verschaffen; door de spoedige verheffing van Salomo verrast, moest hij om genadé smeeken, die hem onder voorwaarde van verbetering gegeven werd (1 Kon. 1). Spoedig daarna trachtte hij echter opnieuw zich te verheffen door een huwelijk met Abisag — wel niet tegen de letter, maar toch tegen den geest der wet (Lev. 18 : 8). Hij deed zich voor, alsof hij van alle vroegere eerzuchtige droomerijen had afgezien, en niets anders begeerde dan huiselijk geluk. Bathseba liet zich door hem misleiden, en was bij Salomo tot voorspraak van hem. Salomo echter doorzag Adonia's staatkundige oogmerken en liet hem ombrengen (1 Kon. 2).

Adonibezek, koning der Kanaanieten, die aan 70 overwonnen vorsten handen en voeten liet afkappen, om hen onbekwaam tot den krijg te maken en om zich over hun ellende te verheugen, terwijl hij hen als honden de brokken onder zijn tafel liet opzoeken. De stammen van Juda en Simeon overweldigden hem en deden hem desgelijks, waarin hij een rechtvaardige straf Gods erkende (Richt. 1:5 v.v.).

Adonizedek, koning van Jeruzalem. Zijn naam beteekent: Heer der gerechtigheid, rechtvaardige heerscher, evenals de beteekenis van Melchizedek; hij was het hoofd van het groot verbond der volkeren tegen Gibeon (Joz. 9 :1). Hij werd in den slag bij Gibeon geslagen, met de vier andere koningen omgebracht en begraven in dezelfde grot, waarin zij zich verscholen hadden (Joz. 10).

Adoptianisme. De Adoptiaansche strijd is ontstaan in Spanje (782—799). Een zekere Migatius had geleerd, dat de Drieëenheid aldus verstaan moest worden, dat het Goddelijk Wezen drieërlei openbaring had. In David had zich de persoon des Vaders, in Christus, den Zone Davids, de persoon des Zoons, en in Paulus de persoon des Heiligen Geestes geopenbaard. Op een Spaansche Synode (782) trad de hartstochtelijke aartsbisschop Elipandus van Toledo tegen dezen dwaalzieken man op en vond daarbij gelegenheid om zijn gedachten over het Christologisch dogma mee te deelen. Felix, bisschop van Urgellis, sloot zich geheel bij Elipandus aan.

Zij. leerden het volgende: Jezus Christus is slechts naar zijn Godheid de Zoon van God, maar naar zijn menschheid was Hij, evenals wij allen, een dienstknecht Gods. Deze dienstknecht werd echter door een besluit Gods tot Zoon aangenomen. (Vandaar hun naam Adoptianen, want „aannemen" heet in de Latijnsche taal „adoptare"). Naar zijn Goddelijke natuur

is Hij de eeuwig-geborene, maar naar zijn menschelijke natuur was Hij de eerstgeborene Zoon van God. De aanneming van de menschelijke natuur tot Zoon van God is al begonnen bij zijn ontvangenis door den Heiligen Geest. Zij is duidelijk openbaar geworden bij den doop en zij is voleindigd in de opstanding.

De priester Beatus en de monnik Heterius bestreden Elipandus zoowel mondeling als schriftelijk. Toen deze zich wendde tot paus rtadftatë.' nus I, veroordeelde de paus het Adoptianisme als een Nestoriaansche ketterij. Elipandus bekommerde zich daar niet veel om, omdat hij onder de heerschappij der Saracenen stond ; maar met Felix van Urgellis stond het anders. Die woonde in een gebied, dat aan Karei den Groote behoorde en, toen deze vorst, die als beschermheer van de orthodoxie wilde optreden, zich met den strijd inliet, werd het anders. De trouwe raadsman van Karei, Alculnus, schreef tegen het Adoptianisme. Op drie Synoden werd het veroordeeld. Eerst te Regensburg in 792. Daar werd Felix genoodzaakt zijn ketterij.af te zweren. Hij werd daarop naar paus Hadrianus I gezonden, voor wien hij zijn afzwering herhalen moest. Op de Synode te Frankfort (794) werd het Adoptianisme opnieuw veroordeeld en de uitspraak der Synode werd naar Spanje gezonden, onderteekend door paus en koning. Men bekommerde zich daar weinig om die uitspraak. Toch wist een commissie, door den koning gezonden, te bewerken, dat Felix zich nog eens aan een kerkelijk onderzoek wilde onderwerpen. Op de Synode te Aken (799) disputeerde Felix zes dagen met Alculnus en hij verklaarde zich overtuigd. Tot zijn dood bleef Felix nu onder bewaking van den bisschop van Lyon. Het bleek uit door hem nagelaten geschriften, dat hij tot aan zijn dood eigenlijk het Adoptianisme getrouw gebleven was. Tot in de tweede helft der 9e eeuw bleef deze dwaling in Spanje voortleven. [ 24.

Adoraim of Ador, Adora, een stad in het Zuidelijk deel van den stam Juda (2 Kron. 11:9). Zij behoorde in den tijd na de Ballingschap tot Idumea. Zij werd door Hyrcanus veroverd en door den Romeinschen stadhouder Gabinius weder opgebouwd (1 Macc. 13 : 20). Reeds Josefus noemt haar Dora. Het is dezelfde stad als het tegenwoordige Dura, één der grootste dorpen in het district Hebron, ongeveer 2'/2 uur ten Westen van Hebron, gelegen tegen een heuvel en omringd door olijfgaarden en korenvelden.

Adoram. I. Schatmeester van David (2 Sam. 20 : 24). — II. Schatmeester van Rehabeam, ook Hadoram geheeten (2 Kron. 10 : 18); hij schijnt voor den hoofdontwerper van het trotsche antwoord van Rehabeam gehouden te zijn, en werd als afgezant des konings door de oproerlingetf gesteenigd (1 Kon. 12 : 18).

Adrammelech. I. In 2 Kon. 17 : 31 wordt Adrammelech naast Anammelech genoemd als de hoofdgod der Sefarvieten, wiens vereering door hen naar de landstreek Samaria is overgebracht, toen ze kort na 721 door Sargon met de inwoners van andere steden daarheen waren gevoerd.