is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

144

APOSTEL

gewijze, na velerlei voorbereiding, tot het ver vullen van die roeninc hplrwaam ign^bim^.

ten worden. Wat de annateien m» .-i i

geweest zijn, dat wilde de Heere van stonde

aan, uai _c iuuucn woraen en met dat doel

verkoos en verordinpprdp Hii ho« Pn

doel was, het kan niet beter omschreven worden,

-au mei ue wooraen, aie jezus zelf gebruikte

Hii zelf was de Gezondene rips Varlprc naar Hp

wereld. Zoo moesten zij zijne gezanten, zijne

_j.uoic.c_i _nii m ue wereia. „ uenjkerwiis Mij de Vader gezonden heeft _endp ib- nnir ,,uaAa„»

(Joh. 17 : 18; 20:21). Zooals Christus den Vader

,i u "icusi-iien verKiaara naa, zoo moesten zij Hem aan de menschen verklaren. Hun werk was „Christus' getuigen te zijn, opdat de menschen door hun woord in Christus gelooven

-uuucii vnanu. i : ö; jon. 17 : 2V).

Met het oog on dat dnnr Hpm tp ,--.«.« ~_

kende doel bepaalt Jezus in overeenstemming

mei iijua vaucra wn zijne Keuze en neemt de gekozenen in zijne school. Ze zijn met Hem en vergezellen Hem op zijne tochten. Zij hooren zijne prediking en zien zijne wonderen. Straks na de opstanding verklaart Hij hun roeping (Matth. 28:19), en geeft hun bevelen (Hand. 1:2), en blaast Hij ook op hen, zoodat zij ontvangen den Heiligen Geest, d. i. de bijzondere, ambtelijke gaven des Heiligen Geestes. Op den Pinksterdag daaraanvolgende zendt de verhoogde Koning hun den Heiligen Geest zelve, om in hen en in de gemeente te wonen en om voor hun prediking de almachtige Getuige van Christus te wezen in de harten en bij de gewetens der menschen. Zóó toegerust, zijn zij nu ten volle bekwaam om hun roeping te vervullen en Christus' getuigen te zijn, zoo te Jeruzalem als in geheel Judea en Samaria en tot aan het uiterste der aarde (Hand. 1 : 8).

Men heeft er met het oog op deze missie bezwaar in gevonden, om bij de apostelen van een ambt te spreken. Zij hadden een dienst, een werk, nl. het Evangelie te verkondigen, en ze ontvingen daarvoor ook bijzondere gaven — zoo zegt men — maar van een ambt moet men niet spreken. — Doch de Heere heeft aan zijn apostelen meer gegeven dan een bevel tot missie; Hij gaf hun in verband daarmede ook een groote autoriteit. „Indien gij iemands zonden vergeeft, dien zijn zij vergeven", — zoo zeide Hij; — „indien gij iemands zonden houdt, dien zijn ze gehouden" (Joh. 20:23). Zulk een autoriteit echter is niet anders mogelijk dan door een ambt, dat de Heere hun gaf.

Een andere bedenking, die men heeft ingebracht tegen het aannemen van een speciaal apostolisch ambt, is deze, dat de naam „apostel" in het Nieuwe Testament zoo zwevend en onbepaald is. Christus zelf wordt een apostel genoemd, de Apostel en Hoogepriester onzer belijdenis (Hebr. 3 : 1). Verder wordt buiten den kring der twaalve de naam „apostel" gegeven aan Paulus, en door dezen en waarschijnlijk ook reeds in Jeruzalem aan helpers als Timotheus en Silvanus (1 Thess. 2:6), of Barnabas (1 Cor. 9 :5), of Apollos (1 Cor. 4: 6, 9), of Andronicus en Junias (Rom. 16:7). Dit bewijst — zoo zegt men — dat de naam „apostel" geen aanduiding

kan zijn van een bijzonder ambt, dat tot den kring van een bepaald, klein getal personen beperkt bleef. — AI deze feiten mogen en kunnen zeker niet geloochend worden. Maar zij kunnen niet bewijzen, wat men er mede bewijzen wil Hoogstens geven zij te kennen, dat de naam „apostel" ook in een ruimeren zin gebruikt werd gelijk ook het apostolaat van Paulus een bijzonder karakter droeg. Maar dit kan het feit niet omverwerpen dat de naam „apostel" in het Nieuwe Testament een bepaald ambt, een bijzonderen dienst aanwijst in de Christelijke kerk zooals die alleen door de verkoren twaalve —' en Paulus er later dan nog bij genomen — is bezeten en vervuld. Onder meer is dit reeds een afdoend bewijs daarvoor, dat er gesproken wordt van pseudo-apostelen (valsche apostelen) (2 Cor. 11:13). „Dat de twaalve een ambt hadden, wordt bevestigd door het optreden van

pseudo-apostelen, die alleen konden trachten zich te handhaven door de roeping voor te wenden, die de ware apostelen hadden ontvangen" (Sillevis Smitt).

Het bijzonder karakter van het ambt van apostel of van het apostolaat bestond in de volgende merkteekenen:

a. dat zij onmiddellijk door Christus zelf verkoren en geroepen en gezonden waren (joh 6 : 70; 13 : 18; 15 : 16, 19; Gal. 1 : 1).

b. dat zij door Jezus zelf voor hun taak waren opgeleid en bekwaamd, oor- en ooggetuigen waren geweest van zijn woorden en daden, het Woord des levens met de oogen aanschouwd en met de handen getast hadden en hun Evangelie niet van eenig mensch maar van Christus zelf ontvangen hadden (Hand. 1 : 8, 22; 1 Cor. 9 • 1 • 15:8; Gal. 1:12; Ef. 3:2-8; 1 Joh. 1:1—3 e.a.).'

c. dat zij in bijzondere mate den Heiligen Geest deelachtig waren, die hen onfeilbaar in de waarheid leidde (Matth. 10 : 20; Joh. 14-2615 : 26; 16 : 7, 13, 14; 20 : 22; 1 Cor. 2 : 10-^ 13; 7 : 40).

d. dat 7Ü mot dien (.peet (n.™,„o( m_

optraden als getuigen van Jezus, bepaaldelijk van zijn opstanding; dat zij betrouwbare getuigen waren en Gods Woord verkondigden (Hand 1 : 8. 21. 22 f 2 ■ .2- -? • 15 pn, . iA?„ in . o_.

21:24; 1 Cor. 7:25; 2 Petr. 1:16; Hebr. 2:3 enz.)!

c. uai uuu nun getuigenis oezegeiae met teekenen en wonderen en riilran <Too_t-,i;ii._- --.

(Matth. 10 : 1, 8; Mare. 16 : 20; Hand. 2 : 433 : 2; 5:12—16; Rom. 15 : 18,19; 2 Cor. 12 :12;

f. dat de kerk aller eeuwen aan Hit hun -_r,,i~__

nis gebonden is; er is geen gemeenschap aan

ChristUS dan dnnr nrpmppna. h _n oon 1.-.4- ... 1

" gvmvvuovuap ——11 UCL WUUIU

en de personen der apostelen (Joh. 17:20:1 Joh.

1 • «*/ > -ij -iju net lunuamenr aer KerK (Matth. 16 : 18: 1 Cor 3 • in- Ff 9 • 9n- nn-nh oi . ia\.

hun woord, voor ons bewaard' in de Schriften des Nieuwen Testaments is trpnaHpmiddoi nnu

20 : 31; 1 Cor. 15 : 2; 1 Joh. 1 : 1—4). '

g. dat hun ambt niet beperkt was tot een plaatselijke kerk en voor een tijd, maar dat het bliift en zirh tnt dp cranc. ho to.i. „itot.oi,* ur.._

ambt en macht draagt een generaal karakter voor geheel de kerk tot grondlegging en stichting en organiseering. Het is het wortelambt, waarin