is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BROEDERS DES HEEREN - BROEDERZENDING

383

's Hertogenbosch, Deventer ën Zwolle. Die te 's Hertogenbosch telde 1200 leerlingen.

Naast en met Radewijnsz arbeidden Gerhard Zerbolt van Zutfen, Johann Brinckerink, Hendrik Mande, Gerlach Pieters en Thomas van Kempen.

De bedelmonniken koesterden een onverzoenlijken haat tegen de broeders, die in strijd handelden met hun ideaal en die door hun ware godsvrucht meer invloed uitoefenden op het volk dan zij. Een Dominicaan, Mattheus Grabon, klaagde de broeders aan bij den bisschop van Utrecht, maar deze wees de aanklacht af. Toen wendde zich de ijverige Dominicaan tot den paus en zoo kwam de zaak der broeders op het concilie van Constanz. Daar namen de Parijsche hervormingsgezinden Gerson en d'Ailly het krachtig voor de broeders op. De paus Martinus V nam de broederschap in zijn bescherming.

Voorloopers der Hervorming in den eigenlijken zin des woords kunnen de broeders niet genoemd worden, maar wel hebben zij door hun bijbelsche richting veel goeds uitgewerkt. Velen der broeders zijn later met de Reformatie medegegaan.

Ook de Roomsch Catholieke kerk heeft den invloed der broeders gevoeld. De levenstoon was in die kerk hier te lande langen tijd veel dieper dan elders en de afkeer van het Jezuïtisme bij de Roomschen in ons land gedurende de 16e en 17e eeuw was ongetwijfeld eene nawerking van den arbeid der broeders. [ 24.

Broeders des Heeren worden vermeld zoowel in de evangeliën als in enkele brieven van Paulus. In Matth. 13 : 55 vinden wij de namen van Jacobus, Joses, Simon en Judas als van broeders des Heeren. Deze Jacobus is, naar velen op goede gronden aannemen, de schrijver van den algemeenen zendbrief, dezelfde, die blijkens Hand. 15 : 13, 21 : 18 en 1 Cor. 15:7 Gal. 1 : 19, 2 : 9, 12 onder de leiders der Jeruzalemsche gemeente behoorde; Judas, de schrijver van den algemeenen zendbrief was zijn broeder.

Van ouds is er verschil van meening geweest in welken zin de broeders des Heeren aldus werden genoemd.

De één hield hen voor zoons van Jozef en Maria, bijv. Helvidius (pl.m. 350), opkomende tegen een toenemenden eerbied voor den ongehuwden staat. Hij werd heftig bestreden door Hieronymus, die Jezus' „broeders" hield voor „neven', kinderen nl. van Maria, de huisvrouw van Alfefis of Clopas, een zuster van Maria, de moeder des Heeren. Nu kan wel „broeder" soms de ruimere beteekenis hebben van „bloedverwa"t"» als Gen. 14 : 14—16, waar de Grieksche vertaling niet het gewone woord voor broeder heeft, en 1 Kron. 23 : 21, 22; doch dit blijft een hooge uitzondering.

Hieronymus verdedigde zijn meening, dat noch Jozef noch Maria kinderen hadden gehad, omdat hij voor beide een altijddurende maagdelijkheid meende te moeten aannemen; deze opvatting vloeit voort uit de in de kerk destijds opgekomen, en in de Roomsch-Catholieke kerk heerschend geworden waardeering van den ongehuwden staat en de onthouding van vleeschelijke gemeenschap als een hooger trap van zedelijkheid.

Hieronymus' meening vindt echter in de Heilige Schrift geen steun. Een bemiddelende opvatting is, dat de broeders des Heeren zoons waren van Jozef, en niet van Maria, doch van een vroegere vrouw van Jozef.

Deze meening, die in de oude kerk zeer verbreid was, komt evenzeer als die van Hieronymus, tegemoet aan de instinctieve zucht, voor Maria, de moeder des Heeren, een bijzonderen graad van heiligheid op te eischen, die men meende te vinden hierin, dat zij na haar heilig kind Jezus geen andere kinderen had gebaard.

Doch ook deze opvatting vindt nergens in de Heilige Schrift steun. Het gedrag van Jezus' broeders (Matth. 12 : 46 v.v.) bewijst niet, dat zij als oudere broeders optraden, en dus zoons van een andere vrouw dan Maria waren, maar vindt zijn verklaring hierin, dat zij nog niet in Hem geloofden (Joh. 7 : 5).

Dat wfi de broeders des Heeren herhaaldelijk in gezelschap van Maria, zijn moeder, aantreffen (Matth. 12 : 46; Mark. 3 : 34; Luc. 8 : 21, Joh. 2 : 12), wijst er ook eerder op, dat zij zoons dan stiefzoons van Maria waren. Uit Matth. 1:25 volgt voorts, dat Jozef en Maria na Jezus' geboorte in den vollen zin als gehuwden hebben geleefd, terwijl Jezus de „eerstgeboren" zoon van Maria wordt genoemd (Luc. 2:7), wat toch zeker wel zeggen wil, dat zij meerdere kinderen heeft gehad.

Terwijl de broeders des Heeren tijdens zijn openbare werkzaamheid nog niet in Hem geloofden (Joh. 7 : 5), behooren zij later tot de gemeente van Christus, zie behalve de bovenaangehaalde plaatsen ook Hand. 1:14. Het woord 1 Cor. 15 : 7 geeft recht tot het vermoeden, dat öf vóór 's Heeren dood öf door zijn opstanding een beslissend keerpunt in hun leven is gekomen. [ 27.

Broeders en zusters van den vrijen geest. Dit is een pantheïstische secte geweest, (13e en 14e eeuw), welker leden in Duitschland en Italië verspreid waren. Deze secte loochende, dat God boven de wereld staat. De vrije mensch, die door den Geest geleid wordt, wordt volgens haar zelf God. Waar de Geest is, daar is geen zonde. De tot God gemaakte mensch is van de geboden van Christus vrij. Alle genademiddelen zijn onnut. De vrije mensch handelt uit innerlijke goddelijke vrijheid. De secte leerde gemeenschap van goederen en verviel tot een ergerlijken dienst van het vleesch. Toen de aanhangers vervolgd werden, vluchtten velen tot de Begharden. Zij werden onder deze opgenomen en uit dankbaarheid verkondigden zij hun onbijbelsche denkbeelden. Vandaar dat veie Begharden met de leer dezer secte werden besmet en paus Clemens V vervloekte deswege de Begharden en gebood ze uit te roeien. Toch waren lang niet alle Begharden aanhangers van deze antinomiaansche en pantheïstische secte. Daarom gebood paus Johannes XXII weder, dat men de onschuldigen onder de Begharden sparen zou. [ 24*

Broederzending of Zending der Broedergemeente. Deze is bijna zoo oud als de vernieuwde Broedergemeente zelve (zie: Broedergemeente). In 1728 werd door Zinzendorf te Herrnhut de eerste Zendingsschool geopend, en