is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

CHRISTUS

457

drie dagen. En ook is Christus in den eeuwigen dood geweest, door zijn nederdalen ter helle, niet alzoo te verstaan dat hij plaatselijk in de hel is geweest, gelijk de Roomschen en Lutherschen ten onrechte leeren, hetzij om daar de helsche smarten te verduren, hetzij om daar een zegetocht te houden ter verlossing van de geloovigen des Ouden Testaments, maar wel, gelijk de Heidelbergsche Catechismus, vraag 44, leert dat Hij in zijn gansche lijden, maar inzonderheid aan het kruis, gezonken was in helsche verschrikking en kwelling, hetwelk bijzonder verstaan wordt bij het bangste kruiswoord: mijn Qod, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten.

Maar op dezen staat van vernedering volgde met de opstanding uit de dooden op den blijden Paaschmorgen de staat der verhooging. God heeft Hem uitermate verhoogd, en Hem een naam gegeven die boven allen naam is (Filipp. 2 : 9). Hij is door de rechterhand Gods verhoogd en heeft de belofte des Heiligen Geestes ontvangen (Hand. 2 : 33). Hij is der gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen, en alle dingen zijn aan zijn voeten onderworpen, en Hij is gezeten verre boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij, en allen naam die genoemd wordt niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende (Efeze 1 : 21, 22). Het tarwegraan is in de aarde gevallen en brengt nu veel vrucht voort (Joh. 12 : 24). Hij heeft zijn ziel tot een schuldoffer gesteld, en ziet nu zaad, verlengt de dagen en het welbehagen des Heeren zal door zijn hand gelukkiglijk voortgaan. Door de opstanding uit de dooden is Hij krachtiglijk bewezen te zijn de Zoon van God, naar den Geest der heiligmaking (Rom. 1 : 4), heeft Hij het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht (2 Tim. 1:10), en verkregen een verheerlijkt lichaam (Filipp. 3 : 21) waarin schittert de majesteit van de Goddelijke natuur, die in den staat der vernedering niet uitblonk (Jesaja 53 : 2), maar dat lichaam is nu geestelijk omdat de gaven en krachten des Heiligen Qeestes daarin ten volle doorwerken (1 Gor. 15 : 44—47), doch hoe ook hemelsch en verheerlijkt blijft het dragen de litteekenen van het lijden als bewijszijner zegepraal (Joh. 20:27). Christus is In zijn opstanding de eersteling, de eerstgeborene uit de dooden (Hand. 26 : 23; 1 Cor. 15 : 20; Coloss. 1 : 18), want wel zijn ook anderen uit de dooden opgewekt door Christus, maar de Christus is uit de dooden opgestaan door eigen kracht (Joh. 2 : 19—21; 10 : 18; 11 : 25) en zoo heeft Hij teniet gedaan dengene die het geweld des doods had, dat is de duivel (Hebr. 2:14), de gerechtigheid verworven (Rom. 4:25) en de zalige opstanding gewaarborgd voor allen die in Hem gelooven (1 Cor. 15 : 22, 23). De waarheid der opstanding uit de dooden is aan de jongeren en de vromen gebleken door de verschijningen gedurende veertig dagen, die er toe leiden dat men geloofde en beleed: de Heere is waarlijk opgestaan (Luc. 24:34). Daarna volgt op den Olijfberg de hemelvaart, die alleen in Handelingen 1 breedvoerig beschreven wordt, en waarvan we lezen dat de Christus door de hemelen is gegaan (Hebr. 4 : 14), dat Hij is opgevaren ver boven alle hemelen (Efeze 4 : 10)

dat Hij gezet is in de hoogste hemelen (Hebr. 1 : 3). De hemelvaart is voor Christus het verlaten van een zondige wereld, een ingaan in de hemelsche heerlijkheid die paste bij zijn verheerlijkt lichaam en een verhoogd worden door den Vader. Daarom blijft het niet bij de hemelvaart zelve, maar volgt in den staat der verhooging als derde trap: het zitten aan Gods rechterhand. Henoch en Elia zijn ook ten hemel opgevaren, maar zij zijn niet aan Gods rechterhand gezeten, want deze eere en verhooging gold alleen den Christus Gods. De Heilige Schrift spreekt hiervan herhaaldelijk (Ps. 110:1; Matth. 26 : 64; Hand. 2 : 34; Rom. 8 : 34; Ef. 1 : 20; Coloss. 3:1; Hebr. 1 ; 3; 8:1; 10:12; 12 : 2; 1 Petr. 3 : 22; Openb. 3:21). Ten allen tijde heeft de Kerk gevoeld dat hier in beeldspraak gesproken wordt, omdat God in eigenlijken zin geen rechterhand heeft, maar zij heeft gevoeld dat in deze beeldspraak ligt opgesloten dat Christus in den hemel is verheven tot de hoogste eer en macht die denkbaar is, en dat daarin uitkomt en openbaar wordt: Mij is gegeven alle macht in den hemel en op aarde (Matth. 28 : 18). Hij is niet alleen het Hoofd der gemeente, welke zijn lichaam is, en de vervulling desgenen die alles in allen vervult (Ef. 1 : 23), maar Hij is de groote Koning over het gansch heelal en alle dingen zijn aan zijn voeten onderworpen (1 Cor. 15 : 25). En hieruit vloeit voort de vierde trap der verhooging, die wij tegemoet zien bij zijn wederkomst op den Jongsten Dag, om te oordeelen de levenden en de dooden. Dit is de hoogste glorie die Hem wacht, als heel de wereld, alle geslachten die van den beginne geleefd hebben, weer leven en alsnog leven zullen, voor zijn rechterstoel zullen staan, en Hij het eeuwig oordeel, het oordeel dat van eeuwigen duur is, zal uitspreken, en van kracht zal doen zijn. De Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel den Zoon gegeven, en heeft hem macht gegeven het gericht te houden omdat Hij des menschenzoon is (Joh. 5 : 22, 27). Hij zal komen op de wolken des hemels met groote kracht en heerlijkheid en zijn engelen uitzenden meteen bazuin van groot geluid (Matth. 24:30,31), alle volken zullen voor Hem vergaderd worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt, en tot allen die aan zijn rechterhand staan zal Hij zeggen: komt gij gezegenden mijns Vaders beërft het koninkrijk hetwelk u bereid is voor de grondlegging der wereld, en tot allen die aan zijn linkerhand staan zal Hij zeggen: gaat weg van mij gij vervloekten, in het eeuwige vuur hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is (Matth. 25 : 31 v.v.). Allen moeten voor dien rechterstoel van Christus, als Hij gezeten zal zijn op den troon zijner heerlijkheid, verschijnen, opdat een iegelijk wegdrage hetgeen door het lichaam geschiedt, hetzij goed, hetzij kwaad (2 Cor. 5:10). Het zal zijn de groote en doorluchtige Dag des Heeren en de Christus Gods zal blinken in de volheid zijner Goddelijke glorie en schitteren in de majesteit des hemels, waarvan Johannes in het boek der Openbaring schrijft in zeer treffende woorden en in zeer heerlijke taal. (Zie Parousie). De drie ambten. De naam Christus beteekent