is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

460

CHRISTUSERVARINO

— CHRISTUSMYTHE

óf koning is, maar dat Hij altoos is de Christus en dus èn profeet èn priester èn koning. Hij spreekt als profeet maar Hij doet het als machthebbende (Luc. 4 : 32). Hij is koning maar is in de wereld gekomen om der waarheid getuigenis te geven (Joh. 18 : 37). Zijn wonderen openbaren zijn koninklijke macht, bezegelen zijn leer, maar getuigen ook van zijn priesterlijke barmhartigheid (Matth. 8 : 17).

Deze leer van den Christus Gods, die in de Schriften geopenbaard is en door de zuivere kerk wordt beleden, werd reeds van de oudste tijden af door verschillende ketters bestreden, die öf zijn ware Godheid óf zijn waarachtige menschheid, öf de verzoening met God door zijn borgtochtelijk lijden en sterven, loochenden. Zie Ebionieten, Arius, Doceten, Anabaptisten, Socinianen, Remonstranten, Modernen. [ 16.

Chrïstuservaring. Dit woord is in gebruik gekomen bij hen, die niet staande houden, dat de Heilige Schrift de eenige bron is van alles, wat we van Christus gelooven en dat alleen de Heilige Geest ons bindt aan de Schrift en aan Christus. Men meent dat de levende persoon van Christus uit den hemel rechtstreeks op de geloovigen inwerkt, (hetgeen op zichzelf ook de Gereformeerden aannemen, doch deze werking geschiedt door den Heiligen Geest. vgl. Heidelbergsche Catechismus antwoord 51), en dat de ervaring, die men aldus krijgt, bron kan wezen van een of ander deel der theologie. Zoo komt deze in plaats van op het objectieve Woord Gods te rusten op de subjectieve ervaring. Van hoeveel beteekenis de gemeenschap met Christus ook moge zijn, ze kan niet bron der theologie wezen. Dat kan alleen zijn de geïnspireerde openbaring Gods in de Schrift, niet de ervaring, die subjectief, individueel, niet altijd even krachtig en door de zonde bedorven is. Zie F. W. Grosheide, Christuservaring. [17.

Christusmysfiek beteekent ten naaste bij hetzelfde als Christuservaring. Alleen wordt Christusmystiek door de nieuweren doorgaans gebezigd van de apostelen m. n. van Paulus. Men verstaat er door, dat Paulus op den weg naar Damascus met Christus in mystieke gemeenschap kwam en dat al zijn spreken is een spreken uit die gemeenschap. Paulus predikt zijn eigen ervaring. De waarborg, dien wij vinden in inspiratie, wordt ontkend of verwaarloosd. Zie ook Christuservaring. [ 17.

Christusmythe. Met dit woord wordt de opvatting aangeduid, dat in de teekening, die de evangeliën geven van den persoon en het optreden van Jezus Christus, mythische invloeden zijn te bespeuren; volgens de éénen is het alles mythe, en wordt het bestaan van een historischen persoon Jezus ten eenenmale ontkend; volgens anderen hebben om den persoon van Jezus zich allerlei mythische bestanddeelen gevormd.

De eerste, die een dergelijke stelling uitte, was de Franschman Af. Volney, 1791. In de periode van dwepen met de natuur verklaarde hij den oorsprong van alle religie uit de personificatie van natuurkrachten. Ook in Jodendom en Christendom vond hij sporen van astronomische beelden en denkbeelden.

Zoo is volgens hem het bericht van Gen. 2 en 3 geen historie, doch moet het astrologisch verklaard: het geeft in den vorm van geschiedenis een beschrijving van den loop der zon door de 12 teekenen van den dierenriem. Eenzelfde wijze van verklaring geeft ook den sleutel voor het recht begrip van de evangeliën.

Breeder uitgewerkt keert deze theorie terug bij Dupuis, die in een . werk van 12 deelen den „Oorsprong van alle godsdiensten" wil beschrijven, 1801. In deel 5 krijgt het Christendom een beurt; de vereering, aan Christus toegebracht, is niet anders dan een eer, die aan de natuur en haar voornaamste krachten wordt bewezen; Hij is de personificatie van de zon: de geboorte van de zon-godheid heeft plaats in den winter, de opstanding van Christus bedoelt het toenemen van de zonnekracht in de lente, enz.

Evenals deze beide vaders van* de mythische verklaring der evangeliën hebben vele van hun navolgers het Christendom slechts leeren kennen uit de Roomsche omgeving, waarin zij verkeerden, en schijnen er onder hen te zijn, die, de Heilige Schrift uit eigen onderzoek niet kennende, zich bezig houden met allerlei woekerplant, in den loop der tijden om dezen stam gewassen.

Onder hen is slechts een enkele godgeleerde, de. meesten zijn dilettanten op theologisch gebied, en hangen bovendien een wijsbegeerte aan, welke vijandig is aan de Christelijke religie.

Te noemen zijn in dit verband de volgende namen, met de achter hun naam vermelde geschriften : A. Drews, Die Christus-mythe2, 1910, Das Markus-Evangelium als Zeugnis gegen die Geschichtlichkeit Jesu, 1921, Der Sternhimmel t. d. Dichtung und Religion der alten Völkerund des Christentums. 1923, W. Benj. Smith (een Amerikaansch mathematicus), Der Vorchristltche Jesus, Ecce Deus, die urchristl. Lehre des reingöttlichen Jesus, 1911, Robertson, Christianity and mythology2, 1910, Andr. Niemojewski, Qott Jesus u.s.w., 1910, Sam. Lublinski, Der urchristl. Erdkreis u. sein Mythos, 1910.

Met meer of minder vertoon van geleerdheid, met sterker of zwakker fantasie, tracht ieder van hen de theorie aannemelijk te maken dat de Jezus der Evangeliën niet, gelijk de moderne theologie van Hem maakt, een vergoddelijkt mensch is, maar een vermenschelijkt God. De mantel der historie is omgeworpen aan een figuur, die zich verdicht heeft als kristallisatie van mythische voorstellingen en religieuse ideeën.

Tot in bijzonderheden wordt deze theorie uitgewerkt en toegepast op alle Evangeliën-berichten. Niet alleen ziet men in het bericht der kruisiging en opstanding van Christus de historiseering van de mythe van een stervende en herrijzende godheid, welke in haar oorsprongen te herleiden is tot de natuurmythe van het stervend en herrijzend leven in de natuur, gelijk dit verband houdt met den stand der zon in de onderscheiden jaargetijden.

Maar ook de geboorte, de prediking, de wonderen des Heeren worden volgens deze methode verklaard.

Zijn naam „Jezus", jozua, wordt in verband gebracht met Oud-Testamentische berichten, die op hun beurt een mythische „verklaring" ondergaan.