is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

COCK

475

Woord. Wel had De Cock uit de Schrift, de Belijdenis der Gereformeerde kerk en uit de Gereformeerde schrijvers, vooral Calvijn, zich een belijnde voorstelling verworven over het wezen en de roeping der kerk, maar hij had voor de Afscheiding geen plan van reformatie vastgesteld. Ziende in het gebod, handelde hij; de uitkomst aan God overlatend. Daardoor kon hij optreden als de held des geloofs, daardoor kon hij smaad, lijden en vervolging verduren, en trouw vasthouden aan het geloof, waarvoor hij als strijder was opgetreden.

Na' de Afscheiding werd aan De Cock het leven moeilijk gemaakt. Hij mocht niet weder optreden in zijn kerk, de kansel werd door de politie bewaakt. En toen hij staande in de ouderlingenbank een toespraak hield over Ef. 2 : 8—10, werd procesverbaal tegen hem opgemaakt, en werd hij op Hervormingsdag 1834 door de rechtbank van Appingedam, wegens verstoring van de openbare orde, veroordeeld tot de hoogste straf, die art. 261 van het wetboek van Strafrecht toeliet: 150 gulden boete en 3 maanden gevangenisstraf. Den 28 November werd hij naar den kerker te Groningen geleid, waar hij zijn tijd doorbracht met bestudeering van Gods Woord en de Gereformeerde schrijvers. In den kerker ontving hij de tijding dat hij was afgezet. Hier kwam hij tot verzekering des geloofs. Toen De Cock uit de gevangenis terugkwam in Ulrum was de publieke stemming zoo bewerkt, dat het leven in Ulrum hem onmogelijk was. Zijn vrouw had reeds bevel ontvangen vóór 14 Februari de pastorie te verlaten. Geen huis was in Ulrum te verkrijgen, geen godsdienstoefening kon meer in het dorp gehouden worden. Daarom vertrok De Cock in Mei 1835 naar Smilde, terwijl hij reeds 8 April daarvoor, in de eerste Algemeene Vergadering van de uitgeleide gemeenten in Groningen en Drenthe, als leeraar voor Groningen en Drenthe werd aangesteld.

Van nu af gaf hij zich geheel aan de stichting, de leiding en den opbouw van de kerken der Scheiding. Predikend trok hij Groningen, Drenthe, en een deel van Friesland en Overijsel, van Oost-Friesland en het Graafschap Bentheim door, terwijl hij ook, op last van de Noordelijke gemeenten, arbeidde aan de opleiding van de aanstaande dienaren des Woords. Om de 14 dagen kwamen uit verschillende plaatsen een twintigtal mannen aan de pastorie om in de uitlegging der Heilige Schrift, de Bijbelsche- en Kerkgeschiedenis, de Dogmatiek en de Predikkunde te worden onderwezen, 't Waren meest mannen op leeftijd, landbouwers en handwerkslieden, die, wijl men geen gestudeerde predikanten had, door de gemeenten gedrongen werden om als voorgangers op te treden. De vrije oogenblikken gebruikte hij voor de studie en voor net uitgeven zijner geschriften. Niettegenstaande de vervolging en de vele zorgen en bezwaren die hem drukten, zoo schreef een zijner kennissen, „bleef De Cock de hem eigene vroolijkheid behouden, en werkte onverstoord door". In het kerkelijke leven nam hij een leidende plaats in, ook nadat Scholte, Brummelkamp, Van Velzen, Meerburg en Van Raalte zich bij de Scheiding gevoegd hadden, en hij wendde alle moeite aan om de reformatie te

verbreiden, om het kerkelijke leven in ontwikkeling en in kennis te verdiepen, en de eenheid te bewaren. Op de eerste Synode van de kerken der Scheiding, 1836, die gezegende vergadering, op welke de eenheidsband gelegd werd tusschen de verschillende gemeenten op grond van de gemeenschappelijke belijdenis en kerkorde, was hij scriba. In September 1836 wist hij de Noordelijke gemeenten te bezielen om een door hem ontworpen „Ootmoedig Smeekschrift" aan den koning te richten, waarin zij opkwamen tegen de beschuldiging, in het Koninklijk Besluit van 5 Juli 1836 aangevoerd, alsof zij onrust en verwarring veroorzaakten, en waarin zij een beroep deden op het recht om vrijheid en bescherming te genieten. Juist daarom smartte het De Cock dat in 1836 verschillen over den doop en het verbond zich begonnen te openbaren. Hij nam in deze geschillen het standpunt van Calvijn, Ursinus en en Appelius in, en trad op tegen de Labadistische neigingen van Scholte en anderen, gelijk blijkt uit zijne Weerleggende beschouwingen en ontwikkeling van het leerstuk des Heiligen Doops, 1837. Toen in 1837, op de Synode van Utrecht, Van Velzen de herziening der Dordtsche Kerkenordening doordreef, en daarvóór eenige artikelen gevoegd werden, waarmee, als een labadistische beschouwing huldigend, hij zich niet kon vereenigen, en als gevolg waarvan de scheuring der Kruisgemeenten intrad, deed De Cock al het mogelijke om deze breuk te heelen. Daartoe bewerkte hij de Noordelijke gemeenten om trouw vast te houden aan de historisch Gereformeerde lijn, zoowel in dogmatischen en kerkrechtelijken zin; en om het kerkelijke leven vast te organiseeren. De Cock was een eenvoudig, bescheiden en ernstig man, een echte zoon van het Noorden, nuchter en kalm, met een open oog voor de werkelijkheid, en daarom was het hem moeilijk het idealistische standpunt van Scholte, die zijn ideaal zag, niet in de reformatie der aloude Gereformeerde kerk, maar in een bovenkerkelijke gemeenschap der geloovigen, te waardeeren. Er kwam een botsing tusschen de twee eerste leeraren der Scheiding, die uitliep op een volledige breuk. (Zie hierover Bouwman, De Crisis der Jeugd).

Om vrede en eensgezindheid te bevorderen in het kerkelijke leven, dat sedert 1837 zoo door verdeeldheden geschokt werd, bewerkte hij dat in 1840 (17 November—3 December) een Synode vergaderde, waar de kerken der Scheiding terugkeerden tot de Kerkorde van Dordrecht en waar een goed begin werd gemaakt van meerdere samenbinding en van een vasten gang in het kerkelijke leven.

Teruggekomen van de Synode werd hij en zijn gezin door de pokken aangetast. Daardoor werd zijn door velerlei arbeid, strijd en groote vermoeienissen verzwakt lichaam nog meer krachteloos. Doch nauwelijks eenigszins hersteld, ging hij weder op reis om zijn gemeenten te bezoeken. Tegen deze inspanning was evenwel zijn lichaam niet meer bestand. In September 1842 kreeg hij op een Zondagmorgen op den kansel te Groningen een bloedspuwing, weldra naderde zijn einde. Den 14den November ging de man des geloofs, Hendrik de Cock, de rust