is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

494

CONCORDANTIE — CONDITIONEELE ONSTERFELIJKHEID

steld. De verdedigers van de privilegiëntheorie verklaren dat de concordaten zijn privilegiën, die de paus aan de staten toekent, waaraan de wereldlijke regeering wel gebonden is, maar die door den paus steeds kunnen worden veranderd of opgeheven. Deze meening is door paus Calixtus III in een brief aan Frederik III uitdrukkelijk uitgesproken (Friedberg, Lehrbuch des Kirchenrechts 1903, 54) met betrekking tot het Weener Concordaat van 1448, en door latere ultramontaansche schrijvers verdedigd (Tarquini, Liberatore, Scnmalzgrueber, e.a.). Een tegenovergesteld standpunt wordt ingenomen door de voorstanders van de legaaltheorie (Hinschius, Aegidi, Thudichum, Sohm, Hüblere.a)., die oordeelen dat de staat alleen bevoegd is met de kerk een verdrag te sluiten, wijl de kerk aan den staat onderworpen is. Al worden de wederzijdsche gevoelens in een concordaat uitgedrukt, een concordaat verkrijgt eerst door de staatswet verbindende kracht en wel zóó lang als het belang van den staat dit eischt. In het midden staat de verdragstheorie, die de concordaten als werkelijke verdragen beschouwt, aan welke beide partijen gebonden zijn. De meeste canonici zijn dit laatste gevoelen toegedaan. Ongetwijfeld is dit gevoelen historisch juist. Hinschius merkt hiertegen op (bij Marquardsen, I, 271) dat de kerk tegenover den staat niet staat alseencivitas, dat dus de staat de kerk niet kan erkennen, als een volkenrechtelijk subject, dat de kerk niet gelijkwaardig is als rechtsubject met den staat, maar dan ziet hij voorbij dat de eeuwenoude practijk steeds geweest is, dat de landsregeering den paus erkende als het hoofd van de landskerk. Bij het sluiten van een concordaat wordt het verdrag niet gemaakt door de regeering van een land met den souverein van den kerkelijken staat, maar met den paus als hoofd van de Roomsch-Catholieke kerk. En wijl deze kerk georganiseerd is als een civitas, met een paus aan het hoofd, wordt door de regeering des lands, naar analogie van volkenrechtelijke verdragen, de overeenkomst gesloten met een vertegenwoordiger van het hoofd der kerk. [ 32.

Concordantie, register van alle in den Bijbel voorkomende woorden, met opgave van de plaats, waar zij staan. Bekend is vooral de Nederlandsche Concordantie van Abraham Trommius, compleet verschenen in 1691.

Conditioneele onsterfelijkheid. Zoo wordt genoemd het stelsel van hen die leeren dat de ziel eens menschen van nature niet onsterfelijk maar sterfelijk is, dat wel de geloovigen in den Heere Jezus Christus het eeuwige leven zullen beërven, doch dat de ongeloovigen en onbekeerden niet eeuwig zullen voortbestaan maar in hun bestaan zullen vernietigd worden. De naam van dit stelsel verklaart zich dus alzoo dat er van onsterfelijkheid sprake is niet als zoodanig maar alleen op conditie van geloof en bekeering. Men spreekt kortheidshalve ook wel van conditionalisme. Reeds ten tijde der oudste kerkvaders waren er enkelen die deze leer voorstonden. Arnobius leerde dat de zielen der goddeloozen vernietigd werden, en Tatianus verkondigde de gedachte dat de ziel met het lichaam stierf in den ttjdeltjken dood, maar op

den Jongsten Dag tegelijk met het lichaam ook weer werd opgewekt. Een bepaalde leer is deze gedachte echter geworden bij de Socinianen, want zij spraken als hun stellig geloof uit dat de ziel van nature sterfelijk is, en dat de onsterfelijkheid een bijzondere gave Gods is als loon voor de gehoorzaamheid aan zijn wet. Hieruit vloeit dan voort dat de goddeloozen en de duivelen ook naar den geest algeheel wegstierven, maar volgens de Socinianen had deze algeheele vernietiging eerst plaats bij het groote wereldgericht op den Jongsten Dag.

In het laatste kwart der vorige eeuw kwam deze leer in Engeland opnieuw voor den dag, en vond niet alleen daar maar ook in geheel Europa tamelijk veel aanhang. Ten onzent wordt zij door vele Ethische theologen voorgestaan en verbreid. De beweegreden in onzen tijd voor de aanhangers van deze leer is dat zq op den voorgrond stellende de liefde Gods, het in strijd met Gods liefde en barmhartigheid achten te zijn, de zielen der ongeloovigen in een eeuwige verdoemenis te werpen. En omdat alleen de zielen der geloovigen in het eeuwige leven kunnen worden opgenomen, leeren zij dat Gods barmhartigheid zich aan de goddeloozen openbaart in de uitblussching hunner zielen, in de algeheele vernietiging van hun bestaan. Op de Heilige Schrift kunnen zij zich niet beroepen, en daarom komen zij met overwegingen en beschouwingen van humaniteit voor den dag. Het recht des Heeren kennen zij niet. Hun dwaling is hierin gelegen dat zij den dood beschouwen als een vernietiging, en meenen dat wat bestaan heeft na en door die vernietiging niet meer bestaat, opgehouden heeft te bestaan. Maar de dood is geen vernietiging doch alleen een andere wijze van bestaan. Ook het lichaam dat sterft wordt niet vernietigd, want de bestanddeelen waaruit het lichaam opgebouwd is blijven, hoe zeer ook ontbonden, allen voortbestaan, maar in het lijk en in het stof anders dan in het levend lichaam. En zoo ook de ziel, zij is van nature onsterfelijk en kan niet sterven. Toch komt zij in den dood, maar die dood is nooit vernietiging van het zielsbestaan, doch een bestaanswijze van de ziel zonder de religieuze en ethische banden aan God den Heere. Zooals er in het lichaam bederf komt door den dood, zoo ook komt in de ziel het verderf door den geestelijken, dood. Wordt in dit leven gesproken van „dood in de zonden en misdaden" hiernamaals is het de eeuwige dood en daarin werkt het geestelijk, verderf ten volle door omdat in de hel geen stuitende genade meer is. De eeuwige dood m voor de ziel dat zij, duivelsch in haar bestaan, leeft in al de smarten van de plaats der eeuwige pijniging.

De gedachte van een eeuwige verdoemen» met de helsche smart en verschrikking is zeker ontzettend, maar wij mogen haar niet van ons afschuiven, noch haar loochenen door het be-j denksel van de conditioneele onsterfelijkheid, want in die eeuwige verdoemenis ligt het rechtvaardig oordeel Gods over den doemschuldigeÉI zondaar. En het getuigt van meer ernst voor het recht des Heeren een geopend oog te hebben dan een misplaatst medelijden voor den godde-