is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

500

CONSCIËNTIE

turen, die men bij verschillende geleerden aantreft, ' is wetenschappelijk niet houdbaar. De overgeleverde tekst wordt dan het proefveld voor het scherpzinnig vernuft, en de vaste bodem der feitelijke gegevens wordt verlaten. Zijn toevlucht te nemen tot de conjectuur is eigenlijk alleen dan geoorloofd, wanneer alle andere middelen om tot een conclusie te komen falen. Toch kan men ook bij de tekstcritiek der Heilige Schrift de conjectuur niet geheel missen. Althans niet bij het Oude Testament. Van het Nieuwe Testament bezitten we een zóó groot aantal handschriften, dat conjecturale critiek hier vrijwel overbodig is. Maar bij het Oude Testament is het aantal handschriften zeer beperkt; bovendien zijn deze niet zoo heel oud (de oudste dagteekenen eerst uit de 10e eeuw na Christus), en vertegenwoordigen naar alle waarschijnlijkheid slechts een bepaalde groep van de oorspronkelijk onderling veel meer verschillende handschriften (wat b.v. uit .oudere vertalingen duidelijk blijkt). Gevolg hiervan is dat wij in de handschriften niet altijd genoegzame gegevens hebben om den juisten en oorspronkelijken tekst te kunnen vaststellen, en dit gemis aan gegevens dwingt ons om ook van de gissing, de conjectuur, gebruik te maken. Het goed recht hiervan berust op het eigenaardig karakter van het letterschrift, dat ons in staat stelt soortgelijke gedachten, als in onzen geest aanwezig zijn, te wekken in den geest van anderen, maar daarmede ook de mogelijkheid biedt van het ontdekken van fouten, welke bij het schrijven mochten zijn gemaakt. Evenals ieder, met oordeel zïïn Bijbel lezend, voorkomende drukfouten ontdekt en gist wat er eigenlijk zou moeten staan, zoo kan ook de geleerde in den Hebreeuwschen of Griekschen tekst fouten, welke door de overschrijvers zijn gemaakt, ontdekken en verbeteren door conjecturale critiek. [ 10.

Consciëntie. Het woord consciëntie of geweten komt in het Oude Testament niet voor. In het Nieuwe Testament vinden we het een enkele maal in de Evangeliën, drie keer in de brieven van Petrus (1 Petr. 2 : 19; 3 : 16, 21), maar meermalen in de brieven van Paulus (b.v. Rom. 2 : 14, 15). Het woord is uit de heidensche wereld in de Christelijke opgenomen, en kwam dus oorspronkelijk in de Openbaring Gods niet voor. Het beteekent eigenlijk medeweten, en wel een medeweten van den mensch met de wet Gods. Uit deze woordafleiding kan reeds blijken, dat het geweten niet is een stem Gods in den mensch, zooals de volksmond zegt. Dit is ook onmogelijk, want indien de consciëntie een stem Gods ware, moest die stem in ieder hart gelijk klinken, en zouden alle uitspraken van het geweten precies dezelfde zijn. God kan met Zichzelf niet in tegenspraak komen, en de geweldige verscheidenheid in de uitspraken der consciëntie bewijst, dat wij in haar niet met een directe .hemelsche stem te doen hebben. In de tweede plaats is het geweten ook niet een afzonderlijk vermogen of een afzonderlijke kracht in den mensch, naast verstand en wil. Het is daarom zelfs niet geheel juist om te zeggen: ik heb een consciëntie, want het geweten is niet anders dan een actie van ons bewustzijn; het is de werking van ons

bewustzijn, toegepast op een bepaalde daad, of een bepaald feit, dat zedelijke keur vraagt, en in welke werking wij ons zelf beoordeelen naar de ons bekende en bewuste normen van goed en kwaad. Dit laatste moet er noodzakelijk bij. Onze consciëntie oordeelt altijd naar ons inzicht in de zedewet. Een Roomsche b.v. moet volgens zijn consciëntie naar de mis, en in het geweten overheerscht het subjectief element. Daarin treedt de mensch op als rechter over zichzelf, om zijn daden te toetsen aan hetgeen hij weet van Gods wil, of anders uitgedrukt: aan hetgeen hij medeweet met 's Heeren geopenbaarde wet.

Dit geweten is een overblijfsel van de in den mensch ingeschapen wet Gods. Deze stond oorspronkelijk ingegraveerd in de tafelen zijns harten, doch door de zonde is zij uitgewischt. Echter niet ten volle. God heeft in Zijn algemeene genade nog in ons overgelaten de algemeene zedelijke beseffen, en daarmee samenhangende den drang om ons naar die normen te beoordeelen. Die drang komt dus op, als er zonde is, en het tweeërlei karakter, n.1. het vrijspreken en het veroordeelen wijst dus op een abnormalen toestand. Daarom kan gezegd worden, dat in den onzondigen toestand in het paradijs het geweten niet thuis hoorde. Daar was die actie van vrijspraak en veroordeeling niet. De habitus (de hebbelijkheid, de consciëntie in vermogen) was er wel, maar niet de actie zelve, want zoolang Adam niet schuldig stond, ging er in de vierschaar van zijn hart geen oordeel over zijn persoon uit. Evenzoo moet volgehouden, dat zulk een consciëntie-oordeel ook aan den Christus geheel vreemd was; iets wat geheel overeenstemt met het feit, dat Christus Zich er nooit op beriep. Ook is onder de gezaligden zulk een rechterlijke uitspraak in de consciëntie even volstrekt ondenkbaar. De actie van het geweten komt dus voor in een zondige wereld, en zij is j die werking van ons bewustzijn, waarin wfl onze daden beoordeelen, veroordeelen of goedkeuren: naar den maatstaf van ons inzicht in de zede-i wet. Wanneer wij het geweten zóó opvatten, is er voor een goede consciëntie-uitspraak drieërlei noodig: 1° moeten wij Gods wet zoo zuiver] mogelijk kennen en bewaren in ons bewustzijn; 2° hebben wij de daad, die wij beoordeelen, juist en naar waarheid voor te stellen, en ons helder rekenschap te geven van wat wij keuren, en 3° zullen Wij die daad zoo zuiver mogelijk] toetsen aan den ons bekenden wil van God. Deze drievoudige eisch brengt met zich mede, dat wij ons geweten oefenen, en dat wij bei proeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God is (Rom. 12:2). Hieruil vloeit als vanzelf voort, dat er van een goedl geweten alleen sprake kan zijn in Gods kind. Wel werkt de consciëntie bij vele kinderen der wereld op sommige punten nog tamelijk zuiver. God heeft hun nog de zedelijke beseffen van goed en kwaad gelaten, en zelfs de heidenen betoonen het werk der wet geschreven in hun harten, hun geweten medegetuigende, en de gedachten onder elkander hen beschuldigende, of ook ontschuldigende (Rom. 2 : 14, 15). Maar toch ii hun verstand verduisterd; ontbreekt hun het rechte inzicht in de wet, en is bij hen van een