is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DUITSCHLAND

661

de groote kerkvorsten van Gregorius VII tot Innocentius III (1198—1216) en Bonifatius VIII (1294—1303) volgde een zoo vreeseïijk verval, als zelfs de tiende eeuw „het saeculum obscurum", niet had gezien. De reformatorische conciliën van Pisa (1409), Constanz (1414) en Bazel (1431) konden daarin geen verandering brengen. Het bederf bij den stoel van Petrus, waarop twee of drie pausen tegelijk zich plaatsten en elkander vervloekten, benam den volken den eerbied voor den „stedehouder Gods". Nadat reeds de kruistochten (1096—1270) de ontwikkeling van het kerkelijk leven in verband had gebracht met die van de toestanden in de wereld, droeg, wat er bij de curie gebeurde, er meer dan iets anders toe bij om de oogen te richten op de vraag, of een kerk recht van bestaan had, waarin iedere soort van bijgeloof en de grootste zwendel werd geduld, als slechts geld werd aangebracht.

De Duitsche natie handelde op haar rijksdagen over haar bezwaren tegen Rome en hoopte, dat die door een vrije kerkvergadering zouden worden weggenomen. Ook gedachten over kerk, sacrament en Bijbel, als in Engeland door J. Wiclef (1324—1384) en door Joh. Hus(1369— 1415) in Bohemen, waren geuit, werkten door, al trachtte men ze ook gewelddadig te onderdrukken. De vrome mystiek van een Joh. Tauler (1361) en vooral die van de edele Nederlanders Geert Groot (1340—1384), Thomas k Kempis (1380—1471) en Joh. Wessel van Groningen (1446—1481) en de arbeid der broeders des gemeenen levens, door wier scholen in Duitschland en de Nederlanden de humanistische studiën zich baanbraken, bewerkte, dat men al critischer kwam te staan tegenover de ontaarde kerk.

Reeds vóór de Hervorming gold Duitschland bij de curie voor een land, dat men met onverbloemde verachting en groot wantrouwen meende te moeten behandelen.

De vurig nagestreefde hervorming der kerk „in hoofd en leden" zou evenwel niet komen door het protest van wereldlijke vorsten, geleerde humanisten en vrome mystieken. Dit verzet tegen de misstanden van het pausdom trok niet één lijn. Bovendien maakte het de ernstige fout, dat het hoopte door diplomatieke onderhandelingen met de curie zelf zijn doel te zullen bereiken. De vernieuwing der kerk was het eigen werk Gods, ze kwam op het uur door Hem bepaald, niet door bemoeiingen en verordeningen van een concilie, maar door het eenvoudige Woord Gods, die zijn Geest levend liet worden in het hart van den Wittenberger Augustijnerpater Maarten Luther. De nieuwe tijd en de nieuwe kerk, werden geboren uit het Evangelie van de zonden verzoenende genade Gods in Jezus Christus. Terwijl in Rome het onfeilbaar pausdom belichaamd was in moordenaars en hoereerders als Innocentius VIII (1484—1492) en Alexander VI (1492—1503) en schanddaden en schatten zich bergen hoog ophoopten, groeide in de stilte van het klooster te Erfurt de man op, op wiens schouders God den last gelegd had een wereld om te zetten.

Luther was 10 November 1483 te Eisleben geboren als zoon van een mijnwerker, had na de school der humanisten te Eisenach te hebben bezocht in de rechten gestudeerd te Erfurt en

was daar in 1505 gedreven door de vurige begeerte naar een Gode welgevallig leven Augustijner monnik geworden. Na zeer hevigen en innerlijken strijd kwam hij in het klooster tot de erkentenis van zijn eigen ellende en tot het geloovig aangrijpen van de genade Gods in Christus. De broederlijke hulp van zijn overste, den met de kringen der mystiek in verband staanden Joh. Staupitz en ijverige, biddende bestudeering der Heilige Schrift en de kerkvaders m. n. van Augustinus, brachten hem tot innerlijke zekerheid, zoodat hij, toen hem in 1512 de exegetische colleges aan de Universiteit te Wittenberg werden opgedragen, reeds met volle duidelijkheid de hoofdzaak van het Evangelie van de rechtvaardiging uit genade door het geloof in zijn lessen deed uitkomen. Dat hij daardoor het schema van de Roomsche leer des heils en nog meer dat van de kerkelijke boetepractijk van zijn waarde beroofde, werd hem zelf pas duidelijk, nadat hij zich door het schaamtelooze optreden van den pauselijken aflaatkramer Joh. Tetzel genoodzaakt zag zijn inzicht in de Schriftwaarheid met de beweringen der kerk in het openbaar te vergelijken. Niet ongelijk aan de profeten van Israël werd hij tegen zijn wil door God op zijn weg gestooten. Den 31 October 1517 bevestigde Luther de 95 stellingen tegen den aflaat aan de deur van de slotkapel te Wittenberg en predikte hij de waarheid, die hij had leeren verstaan, dat de echte schat der kerk is het Evangelie van de heerlijkheid en de genade Gods, niet de verdiensten der heiligen en dat ieder met zijn meesters ter helle varen moet, die op aflaatbrieven zijn zaligheid grondt, daar naar den wil van onzen Heer en Meester Christus het gansche leven zijner geloovigen één voortdurende boete behoort te zijn. Met de snelheid van den wind vlogen de uitspraken van Luther door het geheele land. Overal, in de eerste plaats door de studeerende jongelingschap werden ze met jubel begroet als het woord van één, die vrij geworden was en nu tot vrijheid van knechtschap de menschen opriep. Vergeefsch was de tegenstand van de kerk. Noch de dreigingen van den door den paus gezonden legaat Cajetanus, die in 1518 te Augsburg eischte, dat de moedige monnik herroepen zou, noch de vriendelijke toespraken van den pauselijken kamerheer Von Miltitz, die in 1519 als bemiddelaar poogde op te treden, vermochten den uitgebroken brand te blusschen. Het godsdienstgesprek te Leipzig in 1519 tusschen Luther en Joh. Eek gaf aanleiding tot de nog nooit gehoorde uitspraak, dat ook de conciliën konden dwalen en bracht aan het licht, hoever de Evangelische beweging zich reeds van de kerk had verwijderd. Den laatsten stap deed Luther zelf, toen hij den 10 December 1520 in het openbaar de banbul, die paus Leo X hem toegeslingerd had, in het vuur wierp. De eenzame was nu niet langer eenzaam. Niet alleen zijn wijze keurvorst Frederik van Saksen en de Wittenbergsche Universiteit beschermden hem, onder alle standen waren er, die het met hem eens waren, zoodat zelfs keizer Karei V (1519-1555) het niet aandurfde hem onverhoord te veroordeelen. Tegen den zin van het pauselijke hof moest hij den gebannene de gelegenheid geven