is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10

ECHTSCHEIDING

van den huwelijksband, namelijk echtbreuk en kwaadwillige verlating."

De canonici en de juristen hielden zich dus wel aan de in de Schrift aangegeven gronden voor de echtscheiding, maar beperkten den tweeden grond niet tot de verlating om religieuse redenen, zooals 1 Cor. 7 : 15 aangeeft, maar breidden dien uit tot allerlei kwaadwillige verlating. Het canonische recht en de eisch van de practijk oefenden wel eens wat al te veel invloed. De kantteekening van de Statenvertaling hield zich nauwer aan het woord van Paulus, waar zij bij 1 Cor. 7:15 bij de woorden: „Maar indien de ongeloovige scheidt, dat hij scheide", opmerkt: „Dat is, de geloovige verlaat of van zich jaagt en den band des huwelijks hardnekkig van zijn zijde tenietdoet, gelijk toen bij de heidenen gewoonlijk was", en bij de woorden „in zoodanige gevallen", „namelijk, wanneer die alzoo den band des huwelijks van hun zijde breken, uit haat alleen van het geloof". Evenwel waren de Kantteekenaars ook van gevoelen dat de verlatene van zijn zijde niet gehouden is „den band des huwelijks verder te houden of ongetrouwd te blijven, gelijk hij den getrouwden in vs 11 had bevolen".

De Gereformeerde theologen in Nederland namen bijna zonder uitzondering het standpunt in, dat echtbreuk en kwaadwillige verlating wettige gronden van echtscheiding zijn. Zoo Danaeus, Eth. Christ l, III, ed. 1612. p. 218; Junius, Op. Theol. § 54; Amesius, de Conscientia, ed. 1631, p.", 352; Synopsis, ed. 1881,' p. 575; Rivet, Op. Theol ed. 1660111,334; van Mastricht, Theol. Theor. pract. ed. 1722, p. 1252; W. a Brakel, Red. Godsdienst en anderen. Alleen a Marck maakt hierop een uitzondering (Het Merch der Chr. Gotgeleertheid, ed. 1741, bl. 960 v.v.). Hij zegt dat het huwelijk alleen door den dood of door overspel kan verbroken worden. Met een beroep op Matth. 5 : 32 en 19:9 zegt hij dat buiten dat geval „de echtscheiding met overgang tot een ander huwelijk ongeoorloofd is". De „kwaatwillige verlaatinge geeft nooit een genoeghsaame reeden tot Echtscheydinge en nieu Houwelijk". De andere theologen waren echter van oordeel dat er tusschen het woord van Christus en dat van Paulus geen werkelijke strijd bestaat, aangezien Christus spreekt over het geval, dat een man zijn vrouw verstoot, dus over actieve echtscheiding, en verklaart dat deze geoorloofd is wegens echtbreuk, terwijl de apostel handelt over het geval, dat een vrouw door haren man verstooten wordt wegens verschil van religie, dus over passieve echtscheiding, en verklaart, dat in dit geval de vrouw vrij is van den man en hertrouwen mag. De grond van de echtscheiding lag dus niet alleen in het verschil van religie, omdat, volgens vs. 13, 14, de vrouw in dat geval wel bij den man mocht blijven wonen, maar bepaaldelijk in de kwaadwillige verlating, (Anema, De Gronden voor de Echtscheiding, 1904, bl. 66—69; Rapporten aan de Gen. Synode van 1923, bl. 17).

In de 17de eeuw hadden vele kerkenordeningen en de meeste canonici en juristen het aantal gronden voor de echtscheiding vermeerderd, zooals J. H. Böhmer (1708) zegt, dat in zijn tijd,

naast echtbreuk en verlating, ook weigering van den huwelijksplicht, opzettelijke onvruchtbaarmaking, aanslag op het leven en levenslange gevangenschap of verbanning voor het leven algemeen als toereikende gronden voor de verbreking van den echtelijken band werden erkend. Meermalen werd dit op verkeerde gronden verdedigd. John Milton schreef in zijn Doctrine and Discipline of Divorce dat scheiding op grond van wederzijdsche toestemming zonder een juridisch onderzoek naar de oorzaken der scheiding niet onbestaanbaar was met den geest van het Evangelie. Onverbreekbaarheid van het huwelijk was een paapsche uitvinding en vond geen steun in het Evangelie. Een juridisch onderzoek was alleen noodzakelijk met het oog op eigendomskwesties. Hugo de Groot leerde in zijn Annotationes ad Matth. 5 : 32 dat echtbreuk een van de vele daden was, die onbestaanbaar waren met het wezen van den huwelijksband. Christus had door een sprekend voorbeeld willen toonen, hoe een goed man gebruik kon maken van de burgerlijke wet der echtscheiding, zonder onrecht te doen aan zijn vrouw, aan zijn eigen consciëntie of aan iemand anders. Christus had nooit de bestaande wetten willen vernietigen of een ruimere wet willen maken voor allen, maar alleen voorschriften willen geven om leiding te geven aan de consciëntie, evenals Hij gezegd heeft, dat wij de vijanden moeten liefhebben. Samuè'l Pufendorf beschouwde in zijn Jus naturae et genttum (1670) het huwelijk van uit het standpunt van het natuurrecht, en zag in de echtscheiding niets dan een contractbreuk. Bruckner kwam in zijn Decisiones juris matrimonii tot de bedenkelijke gevolgtrekking, dat, op grond van een langdurige scheiding van tafel en bed, de finale scheiding kan intreden. Al meer werden de gronden in het Romeinsche recht aangegeven in de kerkelijke en burgerlijke wetgeving aanvaard. Omdat men zich niet meer gebonden gevoelde aan het Woord Gods, achtte men dat de echtscheiding kon intreden wanneer het huwelijk in zijn wezen was aangetast, niet alleen wegens echtbreuk en kwaadwillige verlating, maar ook wanneer een der echtgenooten door eigen schuld het huwelijk had verstoord, zooals wanneer er gevaar voor het leven was, bij weigering van den echtelijken plicht, wanneer de een den ander had mishandeld of een zwaar misdrijf had gepleegd, of ook in het geval van levenslange vrijheïdsberooving. Wanneer de overheid den band had losgemaakt, was hij ook werkelijk verbroken. In het laatst van de 18de eeuw werd hieraan nog toegevoegd: de berooving van de vrijheid voor korten tijd, voortdurende huiselijke twist enz. Samuël von Cocceji had reeds in 1740 geleerd dat scheiding bij wederzijdsch goedvinden in overeenstemming was met de natuurwet. De wereldlijke regeering had het recht om vergunning te verleenen tot scheiding om elke reden die rechtvaardig scheen. Deze beginselen werden opgenomen in de Pruisische wet van 1791.

De Fransche Revolutie brak radicaal met de historie. Het huwelijk werd gebaseerd op overeenkomst en genegenheid van man en vrouw, en daarom werd goedgekeurd, dat, wanneer de liefde had opgehouden te bestaan, partijen het