is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ELJAKIM — ELLENDE

73

bleef gevangen van 1568—1587. Toen werd Maria, die beschuldigd werd van" doodslag op haar echtgenoot en van hoogverraad, onthoofd.

Daardoor had Elizabeth vooral den haat der Roomsch-Catholieken op zich geladen.

Elizabeth is ongehuwd gebleven (Regina Virgo). maar velen beweren, dat haar privaatleven niet zonder vlekken was. Liefdesgeschiedenissen schijnen in haar leven niet vreemd geweest te zijn. Zij was een vrouw met veel gaven, haar warme belangstelling voor het werk der Reformatie en voor de kerk der Reformatie is prijzenswaard ; maar zij is niet vrij te pleiten van in het oog loopende gebreken. Zij was ijdel, leefde dikwerf naar luimen en scheen meermalen meer door politieke berekening dan door haar reformatorisch beginsel zich te laten leiden. [ 24.

Eljakim. I. De vrome zoon van Hilkia, wien zijn verheffing door Hiskia door Jesaja (hoofdst. 22) vooraf aangekondigd werd. Als eerste beambte van het koninklijke huis moest hij den sleutel van David, het zinnebeeld van de hoogste macht verkrijgen, zoodat niets zonder zijn toestemming gebeuren kon. Hij werd daardoor een voorbeeld van Christus, die de woorden (22:22) in den hoogsten zin Zichzelven toeëigent (Openb.

1 : 18; 2 : 7), maar ook op zijn apostelen toepast. In den tijd van den Assyrischen inval vinden wij werkelijk Eljakim als „hofmeester" aan het hoofd der hooge beambten, die met Rabsake onderhandelden, over zijn lasteringen diep bedroefd, hun kleederen verscheurden en door Jesaja naar den koning gezonden, gesterkt en getroost van hem terugkeerden (Jes. 36 v.;

2 Kon. 18 v.). — II. Eljakim, zie Jojakim. Eljasib. Behalve het hoofd der 11 priesterklassen in den tijd van David (1 Kron. 25:12) hebben enkele personen uit den tijd van Ezra en Nehemia den naam Eljasib gedragen. Onder deze (Ezra 10 : 24, 27, 36) is de meest bekende de hoogepriester Eljasib in de dagen van Nehemia, een zoon van Jojakim, een kleinzoon van Jozua (Ezra

3 : 2), die de schaapspoort bouwde. Met den Ammoniet Tobias, den vijand van Nehemia verwant en tegenstander van de strenge grondregels van Ezra, heeft hij veel kwaad berokkend aan de mannen, die gearbeid hebben tot reformatie van het wedergekeerde volk. [ 24.

Elkana, vader van Samuel, een Leviet uit de linie Kahath (1 Kron. 7), volgens 1 Sam. 1 een vroom man en teedere gade.

Elkesaleten. Met den naam Elkesaieten wordt aangeduid een richting van het synkretistisch-gnostisch Joden-Christendom, waarvan wij verwarde berichten vinden bij Epifanius, Origenes en Hippolytus. De oorsprong van de Elkesaieten leiden velen af van een persoon Elkesai, die in het begin van de regeering van Trajanus, ongeveer 100 n. Chr., een nieuwe leer verkondigde, en daarbij zich beriep op een boek, dat een nieuwe openbaring behelsde, en dat hem door een mannelijken engel, bijgestaan door een vrouwelijken geest in het Parthische Sera was overhandigd. Waarschijnlijk echter is de naam Elkesai geen naam van een persoon, maar van het boek. De beteekenis van dien naam wordt door Epifanius verklaard door: verborgene kracht. De Syriër Alcibiades uit Apamea bracht het

ongeveer 220 naar Rome. Nog enkele fragmenten zijn overig, die door Hilgenfeld zijn verzameld.

De leer, in dit boek verkondigd, is een mengsel van Joodsche en Christelijke elementen, met heidensch-naturalistische denkbeelden doortrokken. De heidensche elementen vertoonen zich in de wasschingen, waaraan een reinigende kracht wordt toegeschreven. Een vergeving van zonden op grond van een nieuwen doop, in naam van den hoogsten God en zijn zoon wordt verkondigd, waarbij nog 7 getuigen gevoegd worden, namelijk de 5 elementen naar Oostersche opvatting, benevens olie en zout. Het Joodsche element wordt duidelijk daarin, dat zij de wet verplicht rekenen en vasthielden aan den Sabbat en de besnijdenis. Zij verwierpen echter de offers, oefenden kritiek op het Oude Testament, waarvan zij sommige stukken verwierpen. Hun christologie is zwevend. Christus is niet uit een maagd, maar evenals alle menschen geboren. Aan de eene zijde beschouwden zij Christus als een engel, en aan den anderen kant leerden zij de voortdurende incarnatie van Christus, die reeds vroeger in Adam verschenen was. Het avondmaal vierden zij met brood en zout. Zij beschouwden het gebruik van vleescn als zondig.

Een invloed van beteekenis hebben de Elkesaieten niet gehad in de Christelijke kerk, maar wel bij het ontstaan van den Islam. [ 32.

Elkos, geboorteplaats van den profeet Nahum (1 : 1), volgens Hieronymus een klein vlek in Galilea, welks bouwvallen men hem toonde, volgens anderen Alkusch in Assyrië, 2 mijlen ten Noorden van Mosul op de Oost z ij de van den Tigris, waar het graf van den profeet getoond wordt.

Ellasar of Elasar, het gebied bij de in ZuidBabylonië teruggevonden stad Larsam of Zararma, op den Oostelijken oever van den Eufraat. Over dit gebied heerschte in Abrahams tijd Arioch (Gen. 14 : 1, 9) of Arad-Sin.

De ruïnen van de stad hebben een tamelijken omvang. In de stad werd een beroemde tempel van Samas, den zonnegod, gevonden, welke reeds lang voor Abrahams tijd in de inschriften genoemd wordt.

Ellende. Het is een woord dat taalkundig beteekent: uit zijn vaderland verdreven zijn, als een balling in een vreemd land rondzwerven. En overmits de vaderlandlooze in het land der vreemdelingschap veel narigheid ondervindt en veel moeite te verduren heeft, is het woord ellende bij overdracht de naam geworden voor al de wederwaardigheden en tegenspoeden die in het leven ondervonden worden. In het algemeen beteekent ellende dus de ontbering en het gemis van wat tot het gelukkige leven en het ware welzijn behoort. In het dagelijksch leven spreekt men van ellende bij armoede, krankheid, gevangenschap, vervolging en verdrukking, in één woord bij alles wat het leven onaangenaam en ongelukkig maakt.

De taalkundige beteekenis van het woord geeft een juiste vingerwijzing aan de hand om het wezen der ellende goed te verstaan. Beteekent het woord taalkundig: uit zijn vaderland verdreven zijn, en in een land der vreemdelingschap omzwerven, wij hebben te bedenken dat God den mensch geschapen heeft in een heerlijk Paradijs