is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HANDOPLEGGING

461

Christelijk Gereformeerde kerk op haar synode van 1908, „dat de handopening finantiëele verplichtingen oplegt aan de Classis tot een minimum voor iedere gemeente afzonderlijk door de Classis vast te stellen." Zelfs al was hier alleen maar bedoeld, dat een hulpbehoevende kerk, die beroepen wil, van de classis toezegging moet ontvangen van geldelijkeh steun, dan nog is het verkeerd aan de classe een beslissende macht toe te kennen om niet beneden een zeker minimum te mogen beroepen. Een classis, die aan een zwakke kerk hulp verleent, doet dit uit liefde, maar niet om een zeker voogdijschap over de kerken binnen haar ressort uit te oefenen, alsof het van haar goedvinden afhing of zulk een kerk beroepen mag of niet. Het woord „advies van de Classe" of van haar „consulent" in art. 4 Kerkenordening wil alleen maar zeggen, dat de classe beoordeelt, of de beroeping naar goede orde plaats heeft, waarbij zij natuurlijk ook haar oordeel mag uitspreken over het minimum tractement, dat de kerken behooren te geven. Maar slechts bij wijze van advies, niet als bindende bepaling. Daarom is er bij de Gereformeerde kerken van handopening geen sprake meer. Zelfs als een arme en zwakke kerk om te beroepen het tractement geheel of grootendeels van de classis moet ontvangen, vraagt zij geen handopening om te mogen beroepen, maar steun uit de kas voor hulpbehoevende kerken. Het woord handopening vestigt den indruk, dat geen kerk beroepen mag zonder verlof der classis. En dat is ten eenenmale onjuist. Elke kerk is geroepen zoo spoedig mogelijk te beroepen. Het gebeurt wel eens, dat een vermogend dienaar een arme kerk bijna of geheel voor niets dient. Aan de classis komt hierin alleen toe de macht van advies en controle en de roeping om te helpen en bij te staan. De beslissing berust bij den kerkeraad. [ ÏUAt*

Handoplegging. Reeds van ouds was de handoplegging bij de verschillende volken een symbool of zinnebeeld van het overdragen van eenig gezag of ambt door den een op den ander. Door handoplegging stelden de Grieken hun ambtenaren in dienst en verklaarden de Romeinen zelfs hun slaven vrij. Ook in het Oude Testament was de handoplegging een teeken van overdracht; bijvoorbeeld van zegen, door Jacob op de hoofden van Manasse en Efraïm (Gen. 48 : 13 v.v.); van vloek, door de aanklagers op den vloeker (Lev. 24 : 14); van ambt, door Mozes op Jozua (Num. 27 : 18; Deut. 34 : 9); van erkende en beleden zonden, door den priester of door de oudsten van Israël op een var (Lev. 4 : 4, 15); door Mozes op den levenden bok (Lev. 16 : 21); zelfs ook bij brand- en dankoffers (Lev. 1 : 4; 3 : 2). In het Nieuwe Testament wordt die beteekenis nog versterkt. Jezus zelf legt de handen op de kranken om hen te genezen (Matth. 8 : 15; 9 : 18; Mark. 5 : 23); op de kinderen (Matth. 19 : 15); en op de apostelen bij Zijn hemelvaart (Luc. 24 : 50), om hen te zegenen. Ook de apostelen maken er gebruik van. Zij leggen de verkozen diakenen de handen op om hen in het ambt te bevestigen (Hand. 6:6); en de geloovigen te Samaria, om hen den Heiligen Geest mede te

deelen (Hand. 8 : 17). Ananias legt Paulus de handen op, opdat hij weder ziende zal worden (Hand. 9 : 12). En hoewel Jezus ze blijkbaar bij de aanstelling der apostelen (Matth. 10:1 v.v.) niet heeft gebezigd, was zij bij de aanstelling tot de kerkelijke ambten door de apostelen al spoedig algemeen in gebruik. Immers Paulus vermaant Timotheüs (1 Tim. 5 : 22): „Leg niemand haastiglijk de handen op, en heb geen gemeenschap aan anderer zonden." Zie voorts 1 Tim. 4 : 14; 2 Tim. 1 : 6.

Van de apostolische kerk ging dit gebruik als van zelf in de Christelijke kerk over. Aanvankelijk was het nog geheel onschuldig, nog slechts een symbolische handeling bij den doop, bij genezing van zieken, bij de wederopname van gevallenen, bij het huwelijk, bij de boete, of ook een teeken van mededeeling der ambtsgaven bij de aanstelling tot ouderling, diaken of een der lagere ambten, en ging dan met gebed gepaard. Maar langzamerhand werd het recht der handoplegging uitsluitend aan den bisschop toegekend, die er de ambtsgenade door mededeelde. Zoo kreeg ze al meer een magisch karakter en werd ze als een sacrament, het sacrament der ordening of van het priesterschap, beschouwd, dat ex opere operato, d. i. door de daad der handoplegging zelf de ambtsgenade mededeelt. „Het priesterschap is een sacrament, waarin door de oplegging der handen en het gebed des bisschops aan den wijdeling de macht en de genade wordt medegedeeld om zijn taak als bedienaar van de kerk naar behooren te vervullen. Het omvat drie wijdingen, van bisschop, priester en diaken. Deze wijdingen zijn nl. uitwendige teekenen, die de genade beduiden en tevens mededeelen. Zij vormen slechts één sacrament, dat de bisschop in al zijn volheid ontvangt, de gewone priester en de diaken in minderen graad" (J. F. de Groot, Handleiding bü het Katholiek Godsdienstonderwijs, vierde herziene uitgave, blz. 203).

Door de hervorming werd het sacramenteel karakter der handoplegging ontkend. De Lutherschen verwierpen ze aanvankelijk heelemaal, maar namen ze toch later weer op en kenden er soms zelfs groote waarde aan toe. Ook de Gereformeerden stonden er aanvankelijk wat schuchter tegenover. Velen vreesden voor superstitie of bijgeloof, nl. dat het volk er, naar Roomsche beschouwing, een magische mededeeling van ambtsgaven in zou zien. De eerste synoden lieten ze dan ook vrij en waarschuwden met nadruk tegen het Roomsche gevaar van superstitie. Eerst de synode van 's-Gravenhage, 1586, was blijkbaar, door al de overwegingen van het voor en tegen, tot de overtuiging gekomen, 'dat men met het bad toch het kind nog niet behoefde weg te werpen, m.a. w. dat wij de handoplegging konden behouden zonder in de Roomsche dwaling te vervallen. Zij bepaalde dan ook, dat de bevestiging der Dienaren „met behoorlijcke Stipulatie ende af-vraginghen, vermaninghen, Ghebedt ende oplegginge der handen vanden Dienaer die de bevestinghe doet (ofte eenigen anderen, daer meer Dienaren zijn) toegaen sal, Naer het Formulier daer van zijnde", terwijl ze bij de dienaren, die naar de kruis-