is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HERT

573

waardig had gemaakt, heeft de Heiland hem, na zijn oprecht berouw, door de drievoudige opdracht om Zijn kudde te weiden, in het apostelambt bevestigd (Joh. 21:15—17). Een eigenlijke ontzetting uit en herstelling in het ambt hebben wij hier echter niet. Door zijn oogenblikkelijk en oprecht berouw oordeelde Christus zijn afzetting als apostel blijkbaar onnoodig. „De drievoudige belijdenis zijner liefde.... wordt met een drievoudige herstelling in het ambt gekroond, waardoor hem zelf en den anderen verzekering werd geschonken, dat hij de hoeder van Jezus' schapen gebleven was" (Sillevis Smitt). Meer dan een algemeene mogelijkheid is uit dit voorbeeld echter niet te trekken.

De Gereformeerde kerken hebben van den aanvang af de mogelijkheid der herstelling uitgesproken. De synode van Embden (1571) antwoordde op de vraag: „Maer of die Dienaren des Woorts, ende die Ouderlinghen, ende Diaconen afgheset zijnde, nae dat sy de Kercke door hare boete voldaen hebben, wederom tot den dienst behooren toeghelaeten te werden, waert datse wederom vercoren wierden: Soo veel d' Ouderlinghen ende Diaconen aengaet, sal het in der Consistorie discretie ofte oordeel staen: maer soo veel als de Dienaren des Woorts belangt, sal die Classicale vergaderinghe oordeelen" (art. 34). En dit artikel werd door de volgende synode, te Dordrecht, 1578, art. 101, en te Middelburg, 1581, particuliere vraag 41, overgenomen. Wel is het door de volgende synode, te 's-Gravenhage, 1586, misschien wel bij vergissing, weggelaten, en is het sinds niet weer in de Kerkenordening opgenomen, maar de practijk van het kerkelijk leven bleef zich tot nu toe in dezelfde richting voortbewegen.

Wel hebben de kerken in de 16e en 17e eeuw bij de meest ergerlijke zonden de herstelling blijkbaar niet willen toelaten. Voetius maakte tenminste onderscheid tusschen een afzetting wegens minder ergerlijke zonden (depositio minor) en meerder ergerlijke zonden (depositio major). In het eerste geval was er na oprechte boetvaardigheid en verzoening en een korter of langer proeftijd, weer herstelling mogelijk, maar dan in een andere kerk, waar zijn zonde niet zoo bekend was. Maar bij meer ergerlijke zonden, die een dienaar burgerlijk oneerbaar en der doodstraf waardig maakte, als overspel, meineed, moord, staatsroof, landverraad, enz., had de depositio major d. i. de volstrekte afzetting van allen diénst en voor altijd plaats; dus een volkomen degradatie d. i. ontnemen van het ambt met alle titels en waardigheden voor altijd. De Acta der particuliere synoden uit dien tijd deelen dan ook verschillende voorbeelden van afzetting mede, die blijkbaar voor altijd bedoeld zijn. Zoo is Jacobus Walewijn, predikant te Leeuwen, door de particuliere synode van Zutphen (1603) „absolutelijck van (zijn) dienst afgeweesen". Zoo verklaarde de particuliere synode van Goes (1620) inzake Johannes Pantinus, dat hij wegens ergerlijke zonden „onweerdich" was „het predickampt langer te betreden".

In het algemeen waarschuwen de kerken dan ook zeer, om niet lichtvaardig tot herstelling over te gaan, vooral wanneer ergerlijke levens¬

wandel, zooals onzedelijkheid, drankzucht enz. in het spel is. De Presbytérian Church in Amerika bepaalde dan ook: „Wanneer een dienaar wegens onzedelijkheid is afgezet, zoo zal hij niet hersteld worden, al legt hij ook de diepste droefheid over zijn zonde aan den dag, dan nadat hij zich geruimen tijd door een voorbeeldig, ootmoedig en stichtelijk gedrag heeft onderscheiden ; ook zal hij in geen geval hersteld worden, tenzij aan den kerkeraad der plaats, waar hij woont duidelijk gebleken is, dat hij zonder schade voor de zaak des Heeren hersteld kan worden." Bij de Nederlandsch Hervormde kerk waar de leervrijheid heerscht en dus alleen afzetting inzake den levenswandel plaats heeft, geldt de bepaling, dat iemand die wegens „onchristelijken wandel" van bediening of ambt ontzet is, slechts gerehabiliteerd kan worden door de algemeene synode en dat nimmer binnen vijf jaren na de ontzetting. En in de Gereformeerde kerken, die geen bepaling inzake de herstelling in de Kerkenordening meer hebben en de zaak alzoo aan de vrijheid der kerkelijke vergaderingen hebben overgelaten, gaan er al meer stemmen op, om toch, vooral in gevallen van afzetting wegens ergerlijke zonden tegen het zevende gebod, niet lichtelijk tot herstelling in het ambt over te gaan.

De manier der herstelling is zeer onderscheiden. Bij de Nederlandsch Hervormde kerk kan het Provinciaal kerkbestuur een predikant wel uit zijn ambt ontzetten, maar alleen de Algemeene synode hem weer in het ambt herstellen, evenwel nimmer binnen vijf jaren na de ontzetting. Bij de Gereformeerde kerken geldt als regel, dat de herstelling van afgezette ouderlingen en diakenen alleen kan plaats hebben als zij naar de artikelen 22 en 24 der Kerkenordening weer opnieuw gekozen worden; en daarvoor is de hulp van een naburigen kerkeraad niet noodig, omdat de eigen kerkeraad in dit geval niet meer onvolledig is; maar dat de herstelling in het ambt van afgezette dienaren staat „aan het oordeel der Classe met advies van de in art. 11 genoemde Deputaten der Particuliere synode", omdat aan haar volgens art. 79 der Kerkenordening het recht van afzetting toekomt. De afgezette dienaar richt zich met het verzoek om beroepbaarverklaring tot de classe, waar hij woont. In geval deze een andere is, dan die hem afzette, treedt zij met de classe, die hem afzette, en met den kerkeraad, waar hij nu woont in overleg. Valt dit goed uit, dan kan hij opnieuw beroepbaar verklaard worden, 't zij dan zonder of na vernieuwd onderzoek, wat in elk geval bij onzuiverheid in de leer noodig is. Bij verschil van gevoelen is er natuurlijk beroep op de synoden mogelijk. (Zie De Kerkelijke Tucht door Dr. H. Bouwman, blz. 274—277. De Kerkelijke Tucht door Ds. Joh. Jansen, blz. 362— 368. Korte verklaring van de Kerkenordening door Ds. Joh. Jansen, blz. 348—350. Pro Ministerio V: Nederlandsch Hervormd Kerkrecht, door Dr. J. R. Slotemaker de Bruyne, blz. 69). [11.

Hert. De herten of geweidragende dieren (cervida) vormen een familie van de orde der evenhoevigen .(artiodactyla) en wel van de onderorde der herkauwende dieren (ruminantia); zij