is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

580

HETERONOOM

Heteronoom. Het woord is saamgesteld uit de beide Grieksche woorden heteros, een ander, en nomos, wet, en is de tegenstelling van auto» noom, saamgesteld uit autos, zelf, en nomos, wet. De autonome mensch stelt zichzelf de wet, is zichzelf tot een wet; de heteronome mensch buigt zich onder het gezag van een ander, wie of wat het dan ook zij. Het woord heeft burgerrecht gekregen in de filosofie en in de theologie, maar heeft in die onderscheidene wetenschappen nog weer een verschillenden zin, naar gelang de heteros, de ander, die ons wetten stelt, met een verschillenden naam wordt genoemd.

In de filosofie is het woord bekend geworden met name door en na de wijsbegeerte van Kant. Kant kwam na lang, scherpzinnig denken tot de overtuiging, dat God en alle onzienlijke dingen voor het menschelijk verstand onkenbaar waren. Hiermee verloor hij echter niet de moraal. Integendeel, een zeer strenge moraal bouwde hij op uit wat hij noemde de „practische Vernunft". De -reine, theoretische Vernunft" was wel tot de conclusie gekomen: God en al het onzienlijke zijn onkenbaar; de practische Vernunft zorgt toch weer voor de wet: zij geeft zichzelve de wet, zij is autonoom; en de wet die de practische Vernunft den mensch geeft is nu een „categorische imperatief", een dwingend bevel, imperatieven kunnen voorwaardelijk-geldigzijn: wie predikant wil worden, moet theologie studeeren; of onvoorwaardelijk-geldig: gij zult niet liegen. Alle maatregelen die we nemen moeten, als we verstandig zijn, om het een of ander doel te bereiken zijn hypothetische imperatieven, onderstellende geboden, dingen die noodig zijn Indien we een bepaald doel nastreven; de zedewet is een categorische imperatief, een stellig gebod: een „gij zult", wat er ook van komel Een gebod dat geldende kracht behoudt, of de menschen gehoorzamen of niet, of het dikwijls dan wel zelden, ja of het ooit en ergens in de wereld gehoorzaamd wordt. Deze algemeenheid en volstrekte noodzakelijkheid van het plichtgebod bewijst, zegt Kant, dat het nergens anders uit voorkomt dan uit de practische Vernunft. Want wie het uit God afleidt, onderwerpt het aan een voorwaarde, nl. de onveranderlijkheid van het Goddelijk Wezen. Wie gehoorzaamt uit sociale neigingen, stelt zich op den wankelen bodem van het gevoel, enz. De practische Vernunft ontvangt het gebod noch uit eenigen wil van Ood, noch uit eenige natuurdrift, maar brengt het uit hare eigene diepte voort, zij verplicht zichzelf. Hiermede leert Kant ons de autonomie van de practische Vernunft, en hij verwerpt de heteronomie: het staan van een wil onder een andere wet als die welke de practische Vernunft hem geeft, of, wat hetzelfde is, welke hij zichzelf geeft; de gehoorzaamheidbeginselen van zelfzucht, neiging, vrees en hoop (verwachting van toekomstig loon) en in het algemeen alle die den wil een doel geven, zijn volgens Kant heteronomisch en maken den wil van een vreemde wet (wil Gods, natuurdrift, enz.) afhankelijk (vgl. bijv. R. Falckenberg, Geschichte der neueren Phüosophie, 4e Aufl., bl. 328 v.v., 554).

Nu heeft Kant zich, in het geheel van zijn systeem, deze zaak wel diep ingedacht, maar

toch nog niet diep genoeg om alle bezwaren op te lossen, bijv. dit bezwaar dat hij wel spreekt van een zedelijke autonomie, waarbij dus de (practische) Vernunft de wet geeft en hij toch eigenlijk ook weer bedoelt dat zij die wet vindt' want de zedewet, de plicht, staat bij Kant toch boven den individu. Eerst Fichte trekt ook hier de f consequentie, en maakt de Vernunft tot wetgever (vgl. hierover bijv. L. Lemme, Christelijke Ethiek, vertaald door Dr. G. Vellen ga, le bk., le en 2e dl., § 16). Tegen Kant is dan ook het bezwaar in te brengen dat indien hij het willen zóó geheel vrij wil maken van elke „Bedingung", van neiging en lust en doel, de wet een abstractie wordt, een blinde, redelooze en doellooze wil. Het krachtigste willen zonder meer zou dan het meest begeerlijke worden. Een absoluut autonoom willen sluit eiken band, ook dien aan de zedewet, uit (vgl. Dr. H. Bavinck, Hedendaagsche Moraal, bl. 31, 32). Het volstrekt-autonome, zonder eenieren heteronomen factor, is een ah-

surditeit. j

iiu mum i\aiu, genjK ueKena is, uit ae practische Vernunft tot het aannemen van het bestaan van God op; tot dien God die de hier

oestaanae aisnarmonie tusschen heiligheid en zaligheid weer in het reine brengt. Maar dan is bij Kant toch de orde omgekeerd. Bij Kant steunt alle religie op de moraal en de moraal op den categorischen imperatief (vgl. ook Dr. A. Kuyper, Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheid, I bl. 284), en hij zegt nadrukkelijk: „Die Moral bedarf zum Behufe ihrer selbst keineswegs die Religion, sondern, vermöge des reinen Practischen Vernunft, ist sie sich selbst genug".

Hierin nu verschillen de Gereformeerden lijnrecht van zijn systeem. Zij behandelen deze kwestie op theologische gebied en dan met name uitvoerig op het terrein der ethiek. En dan is, in korte woorden uitgedrukt, hun standpunt dit, dat alle waarachtige moraal heteronoom is om de eenvoudige reden |dat zfj Theonoom is: de Theos, God, geeft Zijn wil, uitgedrukt in Zijn wet, aan den mensch, met verplichting om onvoorwaardelijk gehoorzaam te zijn; een wil en wet Gods, die we dan weer kennen uit Zijn Zelfopenbaring in Zijn heilig Woord. Het is goddeloos, ongodvruchtig, om autonoom te willen zijn en te willen leven naar wat Job 34:3 noemt: „laat ons kiezen voor ons wat recht is, laat ons kennen onder ons wat recht is"; wel vindt de mensch, indien hij tot zich-zelf inkeert, de zedewet (Rom. 2 : 14), maar noch de mensch noch de menschheid hebben die wet zich-zelf gegeven (vgl. Dr. W. Geesink, Van 's Heeren Ordinantiën, 2e dl., I bl. 227/8). Ook Kants beroep op het geweten gaat feil: dat geweten kan dwalen; ook wie zich, naar Kants bedoeling, door zuivere „achting" voor het gebod laat leiden, kan zich, geheel te goeder trouw, ten eenenmale vergissen in den weg dien hij gaan moet.

Recht, plicht, plichtsbesef, verantwoordelijkheid en gevoel daarvan, deugd, geweten, schuldbesef, berouw enz. zijn als merkwaardige verschijnselen niet anders te verklaren dan wanneer we aannemen dat „in de zedewet de wil van een aimachtig en heilig God tot ons spreekt. Alle andere verklaringen nemen uit die verschijnselen