is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

652

HUBERINUS — HUET

zich voor het onderwijs der monniken. Hij wijdde zijn krachten ook aan het onderwijs van het volk. Als aanhanger van Lodewijk den Vrome werd hij, toen de monniken zich verzetten tegen zijn bevordering van geleerde studie, door den aartsbisschop Otgar van Mainz in 842 uit zijn ambt gezet. Hij trok zich nu terug naar den Petrusberg bij Fulda en schreef daar op verlangen van Lodewijk den Duitscher zijn 22 boeken de universo, een compendium, waarin de schatten der ouden bewaard werden. Na den dood van Otgar (847) kwam hij op de eerste synode, die hij bijwoonde, op voor herstel van de kerkelijke tucht, de prediking in de volkstaal en de excommunicatie van boosdoeners. Op de 2e synode 848 liet hij Gottschalk (zie artikel) veroordeelen en door Lodewijk den Duitscher aan den aartsbisschop Hinkmar van Rheims (zie artikel) overleveren, omdat Godschalks heer door Hrabanus, die op en top semi-pelagiaan was, gevaarlijk geacht werd. Hij was overigens een meelevend man, een weldoener des volks. Gedurende een hongersnood spijzigde hij (850) eiken dag 300 personen. In 856 stierf hij.

Hrabanus was een geleerde, die veel schreef. Hij heeft bijna de gansche Heilige Schrift gecommentarieerd. Van hem zijn een reeks van monografieën. In den avondmaalsstrijd nam hij een eigenaardig standpunt in. Dat blijkt uitzijn schrijven aan den abt Etgil van Prüm (853) en uit een brief aan Heribald. Met Ratramnus was hij het daarin eens tegen Radbertus Paschasius, dat aan het avondmaal niet het uit Maria geboren en aan het kruis gehechte lichaam van Christus genoten werd. Maar hij was het met Radbertus Paschasius daarin eens, dat brooden wijn in het lichaam en bloed van Christus veranderd werden. Hij dacht zich die verandering echter zóó, dat niet de substantie van brooden wijn veranderen, integendeel brood en wijn moesten zooals alle andere spijzen vergaan, maar door de scheppende macht Gods moest het lichaam des Heeren voor ons geestelijk gebruik gereed gemaakt worden. [ 24.

Huberinus (of Huber) (Caspar), monnik uit een Beiersch klooster, werd in 1527 predikant te Augsburg, waar hij reeds in 1525 het zuivere Evangelie verkondigd had. In 1535 reisde hij naar Luther te Wittenberg, in den strijd over het Avondmaal; hij had een werkzaam aandeel in de invoering van de Reformatie in de Palz. In 1544 superintendent te Oehringen. Als eenige predikant die het Interim aanvaard had, moest hij in 1552 de stad verlaten, en stierf 1553 vol kommer te Oehringen. [ 28.

Hubertns, f 728. Aanvankelijk hofmeester van den Frankischen koning Theodorik; werd later geestelijke, en volgde zijn leermeester Lamprecht als bisschop van Luik op. Hij stichtte aldaar de kathedraal. Hij gold als patroon der jagers. Er is een legende dat hij door het verschijnen van een hert met een kruis tusschen het gewei, van zijn hartstochtelijke jachtliefde bekeerd werd. De naam Hubertus-sleutel is ontleend aan de sage, dat Petrus aan Hubertus zijn sleutel zou hebben gegeven, om menschen, van dolle honden gebeten, te genezen. Hij werd in 828 heilig gesproken. Hubertus-orde in 1444 gesticht. [ 28.

Hubmaler (Balthasar) van Friedberg in Beieren, was prediker in Regensburg. Omdat hij neiging tot de Reformatie koesterde, ging hij naar Waldshut, waar hij door woord en geschrift een invloedrijke werkzaamheid ten bate van de Reformatie openbaarde. Hij stond daar in nauwe relatie tot den Boerenopstand. Waarschijnlijk was hij medeopsteller van de 12 artikelen „aller Bauerschaft". In die dagen ging hij over tot de Anabaptisten. Daar hij een 'begaafd man was, werd hij in den kring der Anabaptisten al spoedig een der hoofden. Toen in Waldshut in 1525 de Roomsche religie en de Oostenrijksche overheersching hersteld was, vlood hij naar Zürich, In die stad werd hij door den raad gevangen genomen, en, nadat hij herroepen had, losgelaten. Toen ging hij naar Nikolsburg in Moravië, arbeidde daar weder onder en ten bate der Anabaptisten en waarschuwde tegen de excessen in dien kring. De vervolging der Anabaptisten onder koning Ferdinand bracht hem weder in gevangenschap. Hij werd naar Weenen gebracht, en, hoewel hij gezind was om te herroepen, werd hij toch verbrand (1528). Zijn vrouw werd enkele dagen na zijn terechtstelling in de Donau verdronken. [ 24.

■met. I. Pierre Dammes Mar ie Huet, geboren te Amsterdam 7 December 1827, overleden te Goes 9 April 1895, behoorde tot een Waalsch predikantengeslacht en was ook zelf voor den predikdienst bestemd. Hij leidde als student een losbandig leven. Op raad van O. G. Heldring vertrok hij in October 1853 naar de Kaap. Onder invloed van Ds. G. W. A. van der Linden werd hij daar bekeerd. In Zuid-Afrika diende hij nu onderscheidene gemeenten. In 1867 keerde hij naar het vaderland terug. Te Utrecht werd hij 10 October 1867 als reizend predikant der Confessioneele vereeniging ingezegend. Sinds 1870 stond hij als Nederlandsch Hervormd predikant te Veenendaal, Dirksland (1871), Nunspeet (1875) en Goes (1875). Te Goes deed hij een tijdlang aan spiritisme (zie: Elise van Calcar, door J. W. Sikkemeier). Hij schreef Afrikaansche Gedichten. In onderscheidene verhandelingen toonde hij zich zeer vijandig tegenover de Boeren, wat in Zuid-Afrika groote verontwaardiging wekte. Ook schreef hij over den Gezangenstrijd in de Hervormde kerk. In een brochure van 1877: Niet om te twisten, maar uit gewetensdwang, bestreed hij heftig de Gereformeerde predestinatieleer. In 1878 liet hij daarop volgen: De oude zuivere waarheid gehandhaafd en verdedigd tegen de valsche en verderfelijke nieuwigheden van later tijd, welk geschrift hij opdroeg aan de heeren professoren, docenten, leeraren, candidaten en studenten aan de Theologische School der Christelijk-Gereformeerde kerk te Kampen; waartegen de Kamper docent S. van Velzen schreef: De onveranderlijke waarheid van Gods vrijmacht, tot beschaming van het ijdel spreken der afgewekenen. In De Heraut schreef Dr. F. L. Rutgers ertegen (10 Februari 1878). Eén van zijn aangrijpendste geschriften is: Het lijden dezer wereld, Bespiegelingen over Rom. 3 : 13, 1863; een van zijn geestigste: Vier zinnebeelden voor het volk: de mier, het konijn, de sprinkhaan, de splnnekop, 1869. II. Conrad Busken Huet, (zie Busken). [ 30.