is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HUGENHOLTZ — HUIS

653

Hugenholtz (Petrus Hermannus en Philip Reïnhard), beide moderne predikanten te Amsterdam, verlieten de Nederlandsch Hervormde kerk en legden de grondslagen voor de Vrije Gemeente Amsterdam. De eerste schreef: Waarom gaan wij heen"? 1879 en: Afscheidswoord aan de leden en vrienden der Vrije Gemeente, 1909. De tweede: De kerk en de eischen van het heden en: Berusten of breken, beide van 1877. [ 30.

Hugenoten. De aanhangers der Reformatie in Frankrijk werden eerst Lutheranen genoemd, later Calvinisten en sinds de verongelukte samenzwering te Amboise (1560) Hugenoten. De afleiding van dien naam is tot op heden niet met zekerheid vast te stellen. Sommigen leiden hem af van het woord Eidgenossen, Eignots of Ignots. Eignots was destijds reeds de naam van een partij in Genève. Anderen leiden hem af van een koning Huguet (Beza) of van Hugo Capet. Weder een andere afleiding is van den naam duganau, wat in langue d'oc beteekent: uilenaard. [ 24.

Hugo (Victor) 1802—1885. Fransch dichter en romanschrijver, hoofd van de Romantische School. Hij verwierp de klassieke richting, waardoor hij opnieuw geest en leven aan de Fransche dichtkunst gaf. [ 28.

Hugo. I. Hugo van Fleury, een geleerde Fransche Benedictijner monnik in de 11e en 12e eeuw. Hij schreef een boek: de regla potestate et sacerdotall dignltate libri XXII, waarin hij gedurende den investituurstrijd dier dagen een bemiddelend standpunt innam. Hij schreef ook een Historia eccleslastlca, welke men vroeger geheel ten onrechte meer dan eens toegeschreven heeft aan zijn vriend Ivo van Chartres.

II. Hugo van Payens (de Paganis) stichter en eerste grootmeester van de orde der Tempellieren van 1119—1136.

III. Hugo van St. Cyr (van St. Caro) geboren in Dauphiné, een Dominicaner monnik die zeer beroemd is geworden door zijn groote geleerdheid. Hij was een man, die op de Heilige Schrift wees, toen een splinterige scholastiek de godgeleerdheid dreigde te versteenen. Waarschijnlijk was hij een van de vier monniken, die door Gregorius X in 1233 afgevaardigd werden naar Griekenland, om te onderhandelen over een vereeniging van de Grieksche met de Latijnsche kerk. In 1236 werd hem de correctie van de Vulgata toevertrouwd. In 1245 werd hij kardinaal. Van hem is de eerste Concordantie der Heilige Schrift. Van hem is ook afkomstig de thans nog altoos geldende kapittel-indeeling van den Bijbel. Hij stierf 1263.

IV. Hugo van St. Victor, hoofd van de kloosterschool in Parijs, een vriend van Bernard van Clairvaux, en uitnemend geleerde, geboren te Blankenburg 1097, opgevoed in de kloosterschool Hamersleben bij Halberstadt. Om zijn geleerdheid en om zijn vroomheid noemden zijn tijdgenooten hem een anderen Augustinus. Hij stierf in den bloei zijns levens 1141. Zijn leerling was Richard van St. Victor.

Hugo is vooral beroemd geworden, omdat hij gepoogd heeft een bond te sluiten tusschen scholastiek en mystiek. Hij legde eerst een ge¬

leerde ondergrond voor zijn studiën. Van zijn hand was een soort Encyclopaedie Eruditio dtdascaltca. Hij schreef tegen Abaelards Sic et non (zie artikel) Summa Sententtarum. Zijn hoofdwerk is De sacramentis Christianae fidei (1140). Daarin behandelt hij de leer des heils in twee deelen, n.m. Schepping en Verlossing. Zijn mystiek was niet pantheïstisch. Hij leerde drie graden voor de ontwikkeling van het geloof. 1°. de vrome overgave van het geloof (eligere). 2°. het verstandig kennen van hetgeen geloofd wordt (per rationem approbare) en 3°. het door reinheid des harten onmiddellijke kennen van de waarheid, de mystieke kennis. Daarin onderscheidt hij nog drie zaken: het denken (cogitatto), het nadenken (meditatio), het schouwen van de waarheid (contemplatio). [ 24.

Huichelen is een schoon masker voordoen, een goeden schijn geven in zijn spreken en doen, waaraan het innerlijke, het wezen niet beantwoordt. Iemand die goddeloos is kan vroomheid huichelen, iemand die boosaardig gezind is, kan vriendelijkheid huichelen. Gods Woord zegt: „de huichelaar verderft zijn naaste" (Spr. 11:9) maar ook: „dat hij voor het aangezicht des Heereji niet komen zal" (Job 13 : 16). [ 28.

Huid is het vel waarmede het menschelijke lichaam bekleed is, bestaande uit opperhuid, lederhuid en onderhuidscelweefsel. Aan de huid is de krankheid van lichaam of ziel openbaar. Kommer en verdriet teekenen zich daarin af. (Job 7:5; Klaagl. 4 : 8; 5 : 10.)

De Heilige Schrift spreekt ook van de huid van de offerdieren, die met het vleesch, het hoofd en de schenkelen buiten het leger verbrand moest worden. [ 28.

Huilen, komt in de Heilige Schrift voor van luide weeklagen, zijn klacht uitroepen. In verband met de oordeelen des Heeren over land en volk, en het toekomstig oordeel over de geheele wereld, wordt tot volken en personen ja tot de onbezielde natuur gezegd: huilt! om te kennen te geven: hoe schrikkelijk de toorn des Heeren zich openbaren zal. [ 28.

Huis. Wie zich van de- huizen, waarvan in de Heilige Schrift sprake is, niet een verkeerde voorstelling vormen wil, moet zich duidelijk voor den geest stellen: a. dat ze niet in de eerste plaats gelijk bij ons gediend hebben om daarin te leven, maar veeleer om daarin des nachts te slapen en zich bij regen en ontijde terug te trekken, zoodat de eischen, aan daghuizen gesteld, van heel anderen aard zijn dan wij gewoon zijn; b. dat in Palestina de meest uiteenloopende soorten van „huizen" terzelfder tijd in gebruik zijn geweest en men zelfs nog heden ten dage holen en tenten, leemen en steenen huizen naast elkander vindt.

Mij tot de huizen in onzen zin beperkend, merk ik op, dat ze de eeuwen door in hoofdzaak op dezelfde wijze zijn gebouwd, hetzij dan van leem, hetzij van natuursteen. Daarbij wordt leem gewoonlijk in den vorm van tegels gebruikt als bij ons, welke öf in de zon gedroogd, öf in het vuur gehard worden. De natuursteenen worden, gewoonlijk zoo goed en zoo kwaad als het gaat, opgestapeld, waarbij dan de ruimte zooveel mogelijk met steenen of leem wordt aangevuld.