is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HULZEN — HUMANISME

663

en leiders scheidde Ds. Hulst zich in 1882 af van de Gereformeerde kerk in Amerika, vanwege haar standpunt betreffende de Vrijmetselarij. Daarop volgde al spoedig aansluiting aan de Christelijke Gereformeerde kerk in Noord-Amerika, s. v., wier weekblad De Wachter hij vele jaren redigeerde.

Nog in Nederland zijnde gaf hij o.a. uit: Bijbelsche Geschiedenis-Vragen en Gereformeerde Geloofsleer. In de Vereenigde Staten: Kerkje spelen, Supra en Infra, Kentering in de Verbondsleer, en met Prof. G. K. Hemkes, s. v., Oud- en Nieuw Calvinisme.

Hij diende de Coldbrook kerk tot 1906; daarna Ëeastmanville, 1906—1910, toen hij emeriteerde. In Drie en Zestig Jaren Prediker, gaf hij uit de Gedenkschriften van zijn lang en werkzaam leven. Hulst was een strijdbaar held, man uit één stuk. Ondanks zijn gebrekkige opleiding, woekerde hij met zijn talenten en was velen ten zegen. [34.

Hulzen, omkleedsel van het zaad (2 Kon. 4 : 42). .Groene aren in haar hulzen." [ 28.

Humanisme. Het Humanisme onderscheidt zich in dezen zin van de Renaissance (zie het art.) dat het der Renaissance (midden 15e tot begin 17e eeuw) meer te doen was om een herleving (.wedergeboorte") der antieke kunst, terwijl men de uit éénzelfde geestesrichting voortspruitende geestdriftige poging om de oude wetenschap weer te doen opbloeien, het Humanisme noemt. In beeldrijke taal zegt Dr Kuyper ervan (Encyclopaedie der Heilige Godgeleerdheid, dl. II, bl. 124 v.): „Het Humanisme is de dochter der Renaissance, niet dit verschijnsel zelve. De Renaissance had het oude classieke leven gegalvaniseerd, maar eerst in het Humanisme herleefde het oude paganistisch beginsel. Het spel in de 14e eeuw, vooral in Italië, met de reliquiën van oud-Rome en Griekenland gedreven, maakte den indruk van een schitterende maskerade in autiek costuum, maar droeg niet het karakter van een strijdvaardig leger dat tegen de kerk onder een eigen vaandel optrekt. Veeleer was het een maskerade in de kerk zelve gehouden, waarbij de kerk op haar beurt uit den buit der Renaissance zich den philosophenmantel van Aristoteles had toegeëigend. Maar anders werd dit, toen Petrarca's geestelijk kroost aan het woord kwam en in mannen als Peter Luder, Conrad Celtes, Jacobus Wimpheling. Johannes Agricola, Alexander Hegius en Joannes Reuchlin een keurcorps leverde, dat straks onder den vorstelijken scepter van Desiderius Erasmus een nieuwe aera zou inwijden. Voor deze mannen toch was de wereld van oud-Griekenland en het Rome der Keizers geen historisch blijspel meer, dat uit zucht naar genot wierd opgevoerd, maar een eeuwige realiteit, die ze voor de fantasie van het Christendom in de plaats wilden stellen. Niet dat ze aanstonds aan de oude pantheïstische philosophie den triumf over het Christelijk Theïsme poogden te verschaffen. Hun neiging was niet philosophisch, veel meer aesthetisch-philologisch. Tegenover de Christelijke religie, die in de mijn had gegraven, neigde hun zin er toe om den vorm te verheerlijken, in het juist besef, dat de classieke wereld juist op het stuk van den

..„--- t»r,o„mlo, hot Christendom het sterkst

stond. Meer dan Aristoteles* diepzinnige theorieën boeide hen daarom de schoone taal, waarin

oud-Griekenland geschrevenen gezongen n<m.... •7M „noW»n in *iVh de kracht, om in schoonheid

van taal en uitdrukking de ouden op zij te

streven, en waren voor aen ïnnuuu van « a 1.4» Acaic nnvor-Miillior mits de schoon¬

heid van den vorm maar schitterde en blonk.

Dit was het wapen dat door nen gewei wieru, „ui .™»o!_f.ht hunner tiideenooten weerzin

tegen de Christelijke literatuur in te boezemen»

en omgekeera ze te Dezieicn iu« ;b"™»8 voor de voortbrengselen der Classicrteit. Le lieten daarom de kerk voor wat ze was, maar deden aan de Christelijke wereld den oorlog aan door hun aanval op de Universiteiten. Die moesten in oud-classieken zin herschapen, en de eerenaam van wetenschappelijk man voor eens en voor altijd aan den humanistischen leertrant verbonden worden. Bedoelde de Christelijke geest de Diyina [het Goddelijke] en drong daarom de Christelijke studie in de diepte van het mysterie Gods, bij hen stonden de Humana [het menschelijke] op den voorgrond. Immers in den vorm lag de rijke schepping van den mensch— Mannen van zedelijken ernst zijn ze nimmer gebleken, karakter hebben ze nooit ontwikkeld, en in hun zondenregister bleef niet één bladzijde blank. Juist echter door die soepelheid behaalden ze aan de universiteiten een bijna niet betwisten triumf en slaagden er met groote gemakkelijkheid in, om het toenmalige studium onderst-boven te keeren en de philologische studiën bijna allerwegen, met name die van het Grieksch, tot den eersten rang te verheffen. En wel werd, naar den geest des tijds, daarbij ook aan de lezing van de Heilige Schrift in het Hebreeuwsch en Grieksch gedacht, maar toch deed de Schrift hierbij slechts den dienst van locomotief, om den trein der classieke schrijvers binnen het station te rijden. Om die classieken, om hun schoone taal en hun prachtige versificatie, en hun schitterenden zinbouw, was het den Humanisten te doen. Ware dan ook de Reformatie niet storend in dit proces tusschenbeide gekomen, dan ware ongetwijfeld door deze aesthetisch-philologische richting reeds destijds het algemeen besef ongemerkt van de Christelijke religie losgeweekt en zou de paganiseering van het denkend Europa verhaast zijn. Van theologie ware geen sprake meer geweest". ....

Kort, klaar en teekenachtig wordt het verschijnsel van het Humanisme in zijn waren aard en duidelijk bedoelen hier beschreven.

Ongetwijfeld had het Humanisme in zijn tijd groote verdienste. Het eerste waaraan het zijn naam ontleende, de humaniteitsgedachte, de idee der ware menschelijkheid, was op zich zelf iets moois, mits gehouden onder stuur der Schrift èn mits inderdaad in algemeenen zin beoefend. Helaas, beide deze voorwaarden voor een goede en zuivére ontwikkeling der humaniteitsgedachte bleken dra te ontbreken; het Humanisme in zijn historisch verloop stelde zóózeer den mensch als mensch op den voorgrond, zonder met zijn val en bederf te rekenen en zonder naar waarachtige wedergeboorte te vragen, dat het latere