is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

676

HUXLEY

door den natuurlijken afkeer (Latijn: horror naturalis) van de vleeschelijke gemeenschap met eigen bloedverwanten, het huwelijk in eigen familie doen uitslijten. Reeds in Gen. 2 : 24 zeide de Heere: „de man zal zijn vader en moeder verlaten en zijn vrouw aankleven; en zij zullen tot één vleesch zijn"; hij moet zijn ouderlijk huis uit, om elders, buiten eigen familie een vrouw te zoeken. Slechts langzaam werkte het door. Abraham trouwde nog met zijn halfzuster (Gen. 20 : 22); Izaak met zijn nicht Rebekka (Gen. 24 : 24); en Jacob met zijn beide nichten Lea en Rachel (Gen. 29 : 16 v.v.). Maar aan Israël verbood de Heere uitdrukkelijk de bloedschande (Lev. 18 : 6—18; 20 : 11—21; Deut. 27 : 20, 22 v.v.; Lev. 18 : 3; 24 : 20, 23).

Verboden wordt dan nader het huwelijk (en tevens de geslachtsgemeenschap buiten het huwelijk (Lev. 18 : 6), met zijn eigen moeder (vs. 7); met zijn stiefmoeder (vs. 8; Deut. 22:30; 27 : 20); met zijn schoonmoeder (Deut. 27:23); met zijn halfzuster, d.w.z. de zoon uit het tweede huwelijk van den vader, mocht niet trouwen met de dochter uit zijn eerste huwelijk (vs. 9); evenmin als de zoon uit het eerste huwelijk mocht trouwen met de dochter uit zijn tweede huwelijk (vs. 11; zie Deut. 27 : 22); met zijn kleindochter, de dochter zijnS zoons of zijner dochter (vs. 10); met zijn tante van beide zijden, d.i.metzijnSvadersof moeders z'uster(vss. 12-13); met de vrouw van zijn oom van vaders zijde, dus met zijn behuwd- of stieftante (vs. 14); met zijn schoondochter, d. i. zijns zoons huisvrouw (vs. 15); met zijn schoonzuster, d.i. de huisvrouw zijns broeders (vs. 16; Lev. 20 : 21) in geval deze kinderen naliet, want in het geval deze kinderloos stierf, moest hij zijn zwagerin of schoonzuster trouwen om zijn broeder zaad te verwekken, (Leviraatshuwelijk) (Deut. 25 : 5); met zijn stiefmoeder en haar dochter (stiefzuster) en kleindochter (achter-stiefzuster), (vs. 17); en met de zuster van zijn vrouw, d.i. met geen twee zusters tegelijk, waarmede niet het huwelijk met de zuster van zijn overleden vrouw verboden wordt (vs. 18).

Aan deze bepalingen liggen zedelijke beginselen ten grondslag, die ook voor onzen tijd gelden, maar zij mogen niet letterlijk toegepast worden. Immers niet uitdrukkelijk genoemd worden de huwelijken met zijn eigen dochter en zuster, terwijl deze krachtens de beginselen der zedewet wel allereerst veroordeeld zijn; voorts werd het huwelijk met zijn moeder, stiefmoeder, halfzuster, schoondochter, enz. met den dood en met uitroeiing gestraft (Lev. 20 : 11, 12, 14, 17), terwijl de bevoegdheid daartoe in het Nieuwe Testament noch aan de kerk, noch aan den staat toekomt. Over de verboden graden van bloedverwantschap, welke hieruit afgeleid moeten worden is geen éénstemmigheid. Wij noemen alleen het huwelijk met de zuster van zijn overleden vrouw en tusschen neef en nicht. In de 16e eeuw waren de kerken er tegen, en in overeenstemming met haar ook de Christelijk Gereformeerde kerk, die bijv. op haar synode te Zwolle in 1854 besloot, dat een huwelijk met de zuster der overleden vrouw ongeoorloofd was, in een lid nog te

dragen, maar niet in een opziener. De Gereformeerde kerken laten het aan de consciëntie der betrokken personen over. Vroeger beriep men zich op Lev. 18 : 18: „Gij zult ook geen vrouw tot haar zuster nemen, om haar te benauwen, mits haar schaamte nevens haar, in haar leven te ontdekken". De bedoeling van dezen tekst schijnt echter te zijn: „geen twee zusters tegelijk tot vrouw nemen". Er staat ook bij: „in haar leven". Geen simultaan-huwelijk met twee zusters tegelijk. Maar als de eerste vrouw gestorven is, wordt een tweede huwelijk met haar zuster thans algemeen geoorloofd geacht. Het huwelijk tusschen neef en nicht ontmoet hier en daar wat meer bezwaar. Men acht het in het algemeen in de Gereformeerde kerken niet wenschelijk, maar laat het toch verder aan de consciëntie over.

7e. Voegen wij hieraan nog enkele beletselen van minderen aard toe. Vooreerst de error of dwaling, als iemand, gelijk Jacob met Lea, uit bedrog en onwetendheid een andere vrouw trouwt dan hij bedoelde; of als men eerst na het huwelijk ontdekt, dat de vrouw zwanger is van een ander of niet ontvangbaar; of als men zich in rang en stand bedrogen vindt. Voorts als men zich, zooals dat in oorlogstijd wel voorkwam, in het huwelijk begeeft met iemand, die nog getrouwd is, maar meent, dat de vorige echtgenoot overleden is. Ten derde als iemand geschaakt is en tegen wil gedwongen wordt tot een huwelijk. De schaker werd vroeger streng veroordeeld. De conciliën spraken wel het anathema (vervloeking) over hem uit. Maar Augustinus oordeelde het huwelijk geldig als de geschaakte partij toestemde. Ten vierde de weigering der ouders. Volgens de wet is de toestemming der ouders noodig voor een huwelijk van minderjarige kinderen. In de werkelijkheid storen vele kinderen zich bij de voorbereiding van een huwelijk er helaas maar al te weinig aan. En eindelijk de gelofte om ongetrouwd te blijven. In den tijd der Hervorming deed zich dat bezwaar voor bij de Roomsche priesters, die met de hervorming mede gingen. Wie de belofte der onthouding had afgelegd mocht volgens Rome niet trouwen. Maar de Hervormers, die vroeger zulk een gelofte hadden afgelegd, zwoeren deze af op grond der Schrift. Zij hadden, zoo oordeelden zij, vroeger gedwaald, meenende Gode een goed werk te doen. Niet het verbreken van de gelofte, maar het doen van een verkeerde gelofte achtten zij verkeerd. [11.

Huxley (Thomas Henry), een Engelsch fysioloog, geboren 1825 te Ealing in Middlesex studeerde in de geneeskunde aan een hospitaal in Londen. Hij werd assistent-arts op het oorlogsschip „Rattlesnake" en nam van 1846 tot 1850 deel aan een expeditie naar Australië en de Torrestraat. Bij zijn terugkeer werd hij in 1854 de opvolger van Eduard Forbes als leeraar in de natuurlijke historie aan de koninklijke mijnschool te Londen en in 1855 hoogleeraar in de fysiologie en de vergelijkende ontleedkunde aan de universiteit te Londen. Van 1863—1865 was hij hoogleeraar in de vergelijkende anatomie aan het „College of Surgeons". Sinds 1870 lid der commissie tot bevordering van