is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

110

JACOB VAN EDESSA — JACOBSBRON

bisschop Theodosius van Alexandrië tot bisschop van Edessa en het geheele Oosten gewijd. Begunstigd door Theodora, de gemalin van Justinianus I, maakte hij met veel succes propaganda voor zijn leer. Bijna 40 jaren doorreisde hij rusteloos Voor-Azië, overal gelijkgezinden (d.w.z. Monofysieten) bijeenvergaderende. Hij wijdde een menigte van bisschoppen en clerici en verschafte aan het Monofysitisme een tijdperk van bloei. Naar hem, den grondlegger van het Syrische Monofysitisme, heeten zijn volgelingen Jacobieten. Hij heeft in geschrift zeer weinig nagelaten, slechts een Anafora, een Geloofsbelijdenis en enkele Syrische Encyclieken. Zijn leven is beschreven door Johannes van Efese, die door hem tot bisschop gewijd was. Johannes deed het in een korte Biografie, maar ook in een langere, die bestemd was, om in de kerken te worden voorgelezen. [ 24.

Jacob van Edessa (684), bisschop van Edessa. Hij bleef dat slechts vier jaren, omdat hij te gestreng was. Later werd hij leeraar van de monniken in Eusebona en Telleda. Hij stierf in 708. Hij behoorde tot de Monofysieten. Vooral op historisch, filosofisch en grammaticaal gebied muntte hij uit. Op dogmatisch terrein lag zijn kracht niet. Van zijn hand zijn een Syrische Grammatica, vele scholia op het Oude en Nieuwe Testament, een voortzetting van de Kroniek van Eusebius, verschillende vertalingen uit het Grieksch en een Syrische overzetting van het Oude Testament. Het meeste bleef in handschrift (in Rome en Londen). Zeer weinig verscheen in druk. Om zijn veelzijdige kennis wordt hij wel eens de „Syrische Hieronymus" genoemd. [ 24.

Jacob van Sarug, geboren te Kurtam aan den Eufraat 451. Van 519 af was hij bisschop van Batüan in het gebied van Sarug. Hij was een Syrische kerkleeraar, tevens dokter. Bij de Monofysitische Jacobieten stond hij zeer hoog aangeschreven. Zij telden Jacob onder hun heiligen. Hij was een vruchtbaar schrijver. Niet minder dan 763 homiliën zijn van zijn hand. Deze zijn in versmaat vervaardigd. Deze maat is iets bijzonders. Zij omvat 12 lettergrepen. Zij wordt naar Jacob de Jacobitische genoemd. Tot op heden zijn ze in de Syrische kerk in gebruik. Daarenboven bezitten wij van hem enkele preeken in proza, hymnen, liederen en brieven. [ 24.

Jacob van Vitry, (Jacobus Vitriacus), een Fransch prediker uit den tijd der kruistochten. Hij schreef ook een geschiedenis van den kruistocht van 1217—19. Hij was bisschop en kardinaal. Zijn geboortejaar is 1173. In 1190 studeerde hij te Parijs en in zijn Historia occid c. 7 geeft hij een beschrijving van de toen heerschende toestanden. Als prediker in Argenteuil bij Parijs trok hij zijn omgeving machtig aan. Evenwel vertrok hij naar Luik, waartoe hem noopte het gerucht, dat aldaar de Beghyn Marie van Oignies zich bevond. Hij heeft haar leven beschreven. Na haar dood 1213 predikte hij tegen de Albigenzen. Hij ging als bisschop van Ptolemaus naar het beloofde land en verzamelde daar kinderen van Saracenen, om die een Christelijke opvoeding te laten geven. Hij maakte de belegering van Damiate mee. Sinds 1225 was hij weder in Europa en werd tot kardinaal benoemd.

Hij vervaardigde toen een Historia orientalis, een geschiedenis, die belangrijk is niet alleen voor de toenmalige kennis van het heilige land, maar ook voor de kennis van de kruistochten. [ 24.

Jacob von Jüterbogk (1381—1465), met den familienaam Kunike, trad als jongeling het Poolsctie Cisterciënser-klooster Paradies binnen, waar hij den naam van Jacob ontving. Hij studeerde in Krakau en trad later in de strengere orde der Karthuizers. Hij kwam in het klooster „ad montem sancti salvatoris" in Erfurt, waar hij tot aan zijn dood als schrijver en professor aan de universiteit werkzaam bleef. Hij stierf, door velen hoog vereerd, in 1455. Hij hing de Middeleeuwsche theologie aan en was uit dogmatisch oogpunt zeer rechtzinnig. Van het pauselijk systeem was hij geen voorstander. Dat was destijds nog geoorloofd. Hij' stelde de conciliën boven den paus. Onomwonden erkende hij, gelijk velen in zijn dagen, de gebreken der kerk en daarom hield hij een reformatie voor dringend noodzakelijk. Die reformatie moest volgens hem met de Roomsche curie beginnen. Maar ook het monnikendom moest gezuiverd worden. Hoe ouder hij werd, des te meer zag hij de onmogelijkheid van een reformatie in, zooals hij er een bedoelde. Daarover begon hij te klagen. Hij schreef den tegenzin tegen reformatie vooral aan de Italianen toe. Moedeloos geworden door allerhande teleurstellingen sprak hij uit, dat de toestand der kerk wel zoo verdorven blijven zou, ja nog slechter zou worden tot de zesde wereldperiode, d. i. de periode van den antichrist, welks komst hij zeer nabij achtte. (Col lectaneum de septem statibus ecclesiae.) [ 24.

Jacob von Mies (Jacobellus), een vriend en aanhanger van Hus. Hij was een theoloog en behoorde tot de partij der Utraquisten. In 1414 begon hij het avondmaal onder twee gedaanten te bedienen en later trad hij in het krijt voor de kindercommunie. Hij stierf in 1429. [ 24.

Jacobsbron of Jacobsput is bekend uit de geschiedenis van de Samaritaansche vrouw (Joh. 4). Deze put moet gelegen zijn in de nabijheid van Sichar (vers 5); want aldaar was de fontein Jacobs (vers 6). De stad Sichar is het tegenwoordige dorpje Askar en ten Zuiden daarvan vindt men nog tegenwoordig de Jacobsbron of Jacobsput. Volgens den Engelschen aardrijkskundige Robinson is er een fontein in; volgens andere waarnemers sijpelt het grondwater binnen; dit kan verklaren de afwisselende namen Jacobsbron of Jacobsput. Immers in het verhaal wordt gesproken van de fontein Jacobs (Joh. 4 : 6), daarentegen wordt eveneens vermeld: de put is diep (Joh. 4 : 11) en Jacob heeft den put gegeven (vers 12). De put is diep; volgens pater Meistermann (Quide de terre sainte, bladz. 466) is de diepte 24 meter; volgens Prof. Dalman (Orte und Wege Jesu, bl. 185) indertijd 32 meter. Evenwel is de put voor een deel gevuld met neergestorte steenen.

In de nabijheid van de Jacobsbron vindt men op verschillende plaatsen water; dat desondanks de aartsvader dezen put liet graven, is wellicht hieruit te verklaren, dat hij hier een landstreek had, waar hij ook eigen water wilde bezitten (Joh. 4:5; Gen. 33 : 19; 48 : 22; Jozua 24 : 32).