is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

174

JEZUS

te ontmoeten (Joh. 12 : 21 v.v.), enz. De Heere is dan overdag in den tempel (Luc. 19:47—48; 21:37—38), 's nachts in Bethanië (Mare. 11:11), of althans buiten de stad (Mare. 11 : 19; Luc. 21 : 37). Het is echter niet gemakkelijk, om niet te zeggen onmogelijk, met zekerheid en nauwkeurigheid de volgorde der gebeurtenissen in deze zes dagen aan te geven, en vast te stellen, wat op elk dezer dagen is geschied.

14. Bij den laatsten maaltijd des Heeren met Zijn discipelen vóór Zijn kruisdood (Matth. 26 : 20 v.v.), staan we voor de vraag, of dat de eigenlijke Paaschmaaltijd geweest is, waarbij een Paaschlam gegeten werd ? Matthefis (26:17 v.v.), Marcus (14 : 12 v.v.), Lucas (22 : 7 v.v.) kunnen dien indruk wekken. Daarentegen zouden we uit Johannes (13 : 1 ; 18 : 28; 19 :14, 31, 42) den indruk kunnen krijgen, dat die Paaschmaaltijd door de Joden eerst gehouden zou worden aan den avond van den dag van 's Heeren kruisiging. Hierbij komt, dat de dag na het eten van het Paaschlam een verbodsdag was, op welken niet 'gearbeid mocht worden (Ex. 12:16; Lev. 23 : 7; Num. 28 : 18). Maar nu wordt gezegd, dat wanneer Judas weggaat, de discipelen meenen, dat hij wellicht een opdracht heeft ontvangen, iets voor het feest te koopen (Joh. 13:29). Ook gaat de Heere met Zijn discipelen na den maaltijd uit de zaal naar Qethsémané (vgl. Ex.

12 : 22), draagt Petrus een zwaard (Joh. 18:10), wordt een bende uitgezonden met zwaarden en stokken, om den Heere gevangen te nemen (Matth. 26 : 47), wordt een gerechtszitting gehouden (Matth. 26 : 57—68; 27 : l), komt Simon van Cyrene van den akker (Mare. 15:21), wordt de Heere terecht gesteld (Matth. 27 : 2,11—50), koopt Jozef van Arimathea fijn lijnwaad (Mare. 15 : 45). Bovendien lezen we niets van het slachten van een Paaschlam, blijkt niet, dat in Jon.

13 : 1 v.v. sprake is van een Paaschmaaltijd, heeft de Oude Kerk geen bezwaar gehad in gezuurd brood bij het Avondmaal, hoewel de Heere het met ongezuurd brood ingesteld heeft, wanneer Zijn laatste maaltijd toen de eigenlijke Paaschmaaltijd geweest is. — Men heeft verschillende oplossingen dezer moeilijkheden, waaromtrent allerlei gezegd zou kunnen worden, aan de hand gedaan. Joh. 18 : 28 zou b.v. niet zien op den eigenlijken Paaschmaaltijd, maar op den feestmaaltijd op den volgenden dag. Of ook zou de Heere het Paaschlam één dag eerder gegeten hebben dan de Joden, of dezen zouden het eten van het Paaschlam één dag uitgesteld hebben. Een ander meent, dat aan den Paaschmaaltijd daags tevoren, voorafging een „openingsmaaltijd". En van dezen zou dan sprake zijn in Matth. 26 : 17 v.v. e.a. Volkomen helderheid en zekerheid zijn echter nog niet verkregen. Een in allen deele bevredigende verklaring toeft nog. En hoewel het daarom wel vast staat, dat onze Heiland op een Vrijdag gekruisigd is, weet men nog niet met onbetwistbare stelligheid, of dat de 14e Nisan, dan wel de 15e van die maand geweest is; en of dus 's Heeren sterven samenviel met het slachten van de Paaschlammeren (vgl. Ex. 12 : 3, 6, 18), dan wel één dag daarna geschiedde.

15. Na bij dien laatsten maaltijd, tot welks

toebereiding Hij in den loop van dien dag Petrus en Johannes uitgezonden had (Luc. 22 : 7—13; Mare. 14 : 12—16), de voeten Zijner discipelen gewasschen, en het verraad van Judas aangekondigd (Joh. 13 : 1—30), het Avondmaal ingesteld (Matth. 26 : 20—29, e.a.), en de woorden in Joh. 14—17 gesproken te hebben, was de Heere met hen uit de zaal uitgegaan, gevolgd door een jongeling (Mare. 14 : 51—52), naar Qethsémané (Matth. 26 : 30, e.a.), onderweg nog Petrus' verloochening en aller verlating van Hem aankondigend (Matth. 26 : 31—35, e.a.). En in dien hof had de bange worsteling plaats, die Hem van benauwdheid het bloed als zweet van het aangezicht deed druppen (Matth. 26 : 36— 46; Luc. 22 : 39—46, e.a.). Opgestaan van het gebed, treedt Hij de bende, die geleid wordt door judas, tegemoet (Matth. 26 : 46—47, e.a.), laat Zich door den verrader kussen, maar tracht hem nog in het hart te grijpen (Matth. 26:48— 50, e.a.), doet wie Hem gevangen wilden nemen, ter aarde vallen (Joh. 18 : 1—9), heeft Malchus het door Petrus afgeslagen oor (Joh. 18 : 10— 11, e.a.), en wordt dan henengevoerd naar Annas, die Hem ondervraagt (Joh. 18:12—14, 19—23). Dit zal een voorloopig verhoor geweest zijn, waarbij denkelijk ook Kajafas en andere raadsleden tegenwoordig waren. Waarschijnlijk is het de nachtelijke raadszitting geweest, waarvan Lucas spreekt (22 : 54—65), en bij welker gelegenheid Petrus den Heere verloochend heeft (Luc. 22 : 54—62; Joh. 18 : 15—18, 25—27; Matth. 26 : 69—75; Mare. 14 : 66—72), terwijl dan in den morgenstond de formeele gerechtszitting gehouden werd in Kajafas' huis, waarin de valsche getuigen opkwamen, en eindelijk Kajafas opstond met zijn vraag, en ten laatste de Heere veroordeeld werd (Luc. 23 : 66—71; Matth. 26 : 59—68; 27 : 1 ; Mare. 14 : 55-65; 15 : 1). Ook hierbij is de gang der gebeurtenissen niet met ontwijfelbare zekerheid vast te stellen. Mede omdat het de vraag is, of Joh. 18 : 24 vertaald moet worden: Annas dan zond Hem; dan wel: Annas dan had Hem gezonden. En ook, omdat het niet duidelijk is, of Annas en Kajafas in hetzelfde complex gebouwen gewoond hebben, maar gescheiden dooreen binnenplein (Matth. 26 : 58, 69 e. a.), dan wel in geheel afzonderlijke paleizen. — Dit is echter zeer duidelijk: ook Zijn bitterste en schranderste vijanden konden niets vinden tegen den Heere, zoodat Zijn onschuld schitterend aan den dag kwam, en het blijken kon, dat Hij niet om eenige eigen misdaad veroordeeld en gedood is. En in de tweede plaats: Hij is veroordeeld alleen, omdat Hij beleed de Christus (Luc. 22:67—69) en de Zone Gods (Luc. 22 : 70) te zijn (Matth. 26 : 63—66; Mare. 14 : 61—64). Kajafas en de raadsleden wisten wel, dat de Heere dat van Zich pretendeerde. En zoowel de verlegenheid door de valsche getuigen, als 's Heeren zwijgen op alle aanklachten tegen Hem, en op Kajafas' aandringen om toch te spreken, leidden en noodzaakten Kajafas, om bij eede zijn duidelijke vraag aan den Heere te stellen, of Hij de Christus en Zone Gods ware, teneinde het voor allen onmiskenbaar zou zijn, dat de Heere dat van Zich beleed, en dat Hij om die belijdenis ter kruis-