is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KETTERGERICHT — KETTERMEESTER

373

verder behandeld. Van de gedreigde scheiding kwam niets.

In het begin van de 4de eeuw ontbrandde de strijd opnieuw. De practijk, zooals die in Rome gevolgd werd, was toen al tamelijk verbreid. Het concilie van Arelate 314 bepaalde, dat de doop van een ketter, wanneer die geschied was met de trinitarische formule geldig was en dat bij iemand, die zoo gedoopt was, alleen handoplegging noodig was. Een algemeen erkende practijk was er echter nog niet. De conciliën van Nicea (325), Laodicea (363), Constantinopel (381) waren de meening van Rome toegedaan. Zij wezen alleen enkele secten aan, welker doop niet geldig was, omdat deze waarschijnlijk niet de trinitarische formule bezigden (Montanisten, Eunomianen en Sabellianen). Toen de Donatisten de tot hen overkomende Catholieke Christenen doopten met een beroep op Cyprianus, gaf de Noord-Afrikaansche kerk haar vroegere practijk prijs (348). Tot een definitieve beslissing kwam het door het optreden van Augustinus, die zijn boek schreef De baptismo. Daarin werd het volgende beweerd: de doop kan ook buiten de kerk plaats hebben, wanneer de trinitarische formule maar gebruikt wordt en de intentie om te doopen voorhanden is. Deze doop heeft een onvernietigbaar karakter, maar zij doet den gedoopte geen nut, zoolang hij buiten de kerk staat. Komt hij later tot de kerk, dan ontvangt hij de handoplegging, opdat daardoor en door gebeden de Heilige Geest hem verleend zou worden. De doop kan nooit herhaald worden. Gedurende de Middeleeuwen bleef deze dooppractijk gelden. De kerk bediende zich gaarne van deze beschouwing, om invloed uit te oefenen op de ketters, opdat deze zouden wederkeeren in haar boezem. Op het concilie van Trente had men wel eerst bezwaren tegen de erkenning van den doop der Protestanten, maar in Sessio VII werd toch vastgesteld, dat de doop der ketters, mits deze bediend was in den naam des Drieeenigen en met een goede intentie, geldig was. Omdat men bij de Protestanten in twijfel kon zijn omtrent de goede intentie, werden in den beginne de door hen gedoopten conditioneel weder gedoopt, maar dit werd in 1576 al afgeschaft. Heden ten dage geldt nog in Rome de doopspractijk, dat een door een ketter toegediende doop (mits op de rechte wijze geschied) geldig is en dat in zulk een geval het sacrament der boete alleen noodig is.

In de Luthersche kerk hield men zich aan Augustinus' beschouwingen. Men had daar zelfs geen bezwaar, wanneer in geval van nood een priester een Luthersch Wnd doopte. Dat vloeide uit de beschouwing van den doop bij de Lutherschen voort.

In de Gereformeerde kerken oordeelde men als volgt: de doop moet bediend zijn met de trinitarische formule en door een dienaar van een belijdende gemeente. Over het persoonlijk geloof van dien dienaar mocht de kerk niet oordeelen.

Natuurlijk is dat tegenwoordig in de Nederlandsch Hervormde kerk anders geworden. Immers die kerk heeft leervrijheid toegelaten. In haar midden zijn predikanten, die de trinitarische

formule niet meer gebruiken. Dat schept vele moeilijkheden, welke de zwakke punten zijn in dit kerkgenootschap.

De Gereformeerde kerken spraken over deze zaak op de Generale Synode van Groningen, 1899, art. 116, het volgende uit: de doop van genootschappen, vereenigingen of personen, die formeel met het trinitarisch geloof gebroken hebben en deze breuke ook feitelijk doen uitkomen, zoo dikwijls hun een kind ten doop gepresenteerd wordt, kan niet meer als doop erkend worden. Doch overigens erkent zij iederen doop, hetzij van kinderen of bejaarden bediend, ingeval deze gedoopt zijn in of vanwege een kring van Christenen, door een door zulk een kring geroepen en erkend dienaar des Woords en in naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes. [ 24.

Kettergericht. Bij de inquisitie onderscheidt men de bisschoppelijke, de pauselijke en de Spaansche (zie art. Inquisitie). Bij deze inquisitie komt het kettergericht ter sprake. Sinds Gregorius IX werden de inquisitie-rechtbanken ingesteld en de Dominicanen werden aangesteld tot inquisitores. Dit geschiedde, omdat de bisschoppen nalatig bleken in de uitvoering der wetten, die het concilie van Toulouse (1229) uitgevaardigd had tegen de ketters. Wanneer een ketter niet wilde bekennen, werd hij door de pijnbank daartoe gedwongen. De straffen, die toegepast werden, waren zeer wreed: eerloosverklaring, verlies van burgerlijke en kerkelijke rechten, verbeurdverklaring van goederen, levenslange gevangenis in den kerker of op de galeien, of de dood (doorgaans de vuurdood op den brandstapel). Omdat de kerk niet dorst naar bloed, gaf men den veroordeelde over aan den wereldlijken rechter, die het vonnis moest uitvoeren. [ 24.

Ketterjager. In 1229 werd op de synode van Toulouse de volgende instelling georganiseerd. De bisschoppen moesten gezworen mannen aanstellen, n.1. in elke gemeente een priester en twee of drie ijverige leden, die de ketters moesten opsporen en aan de gerechtshoven moesten overleveren. Dat waren de z.g.n. ketterjagers. Men vond ze ook in grooten getale bij de pauselijke en later bij de Spaansche inquisitie.

Tegenwoordig bezigt men dit woord ook nog wel in t>verdrachtelijken zin. Wanneer in een Protestantsche kerk iemand er tuk op is, om de geringste afwijking van de belijdenis (al staat deze met de fundamenteele stukken niet in verband) aanstonds ruchtbaar te maken en daarover iemand aan te klagen, dan wordt zoo iemand nog wel een ketterjager genoemd. [ 24.

Kettermeester. De man, die het kettergericht moest houden en in de geheele procedure op den voorgrond trad, werd kettermeester genoemd. Een berucht kettermeester was Koenraad van Marburg, die de biechtvader was van de heilige Elisabeth, landgravin van Thüringen en Hessen (zie art.). Nadat deze meedoogenlooze man twee jaren met onverbiddelijke gestrengheid geheerscht had, werd hij door enkele edellieden vermoord (1233). Een tweede kettermeester was Koenrad Dorso, die ook een gewelddadigen dood vond. In 1367 benoemde Urbanus V nog twee kettermeesters, van wie Walter Karling