is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

578 LANKMOEDIG

onder den schuilnaam van Stephanus Junius Brutus. Alb. Elkan in zijn: Die Publizistik der Bartolomöusnacht und Mornays Vindiciae contra tyrannos, 1905, heeft echter op goede gronden aangetoond dat aan Languets vriend Du PlessisMornay de eer van het auteurschap toekomt. [ 30.

Lankmoedig, lankmoedigheid, lankmoedigzUn. In de Schrift wordt aan God de eigenschap van lankmoedigheid toegekend, d. i. Zijn sparende goedheid tegenover strafwaardigen, het geduld, waarmede Hij de zonden van afzonderlijke personen en geheele volken draagt en verdraagt, Ex. 34 : 6, Num. 14 : 18, Neh. 9:17, Ps.86:15, 103 : 8, 145 : 8, Jerem. 15 : 15, Jona 4 : 2, Joël 2 : 13, Nah. 1 : 3, Rom. 2:4, 9 : 22, 1 Tim. 1 : 16, Hebr. 6 : 12, 1 Petr. 3 :20, 2 Petr. 3:9,15. Ook den mensch wordt lankmoedigheid aangeprezen, in den zin van geduld, het tegendeel van kort-aangebonden-zijn, Spr. 14 : 29, 15:18, 16 : 32, 25 : 15, Pred. 7 : 8. Deze deugd, die een eigenschap is der liefde, 1 Cor. 13 : 4, en een vrucht van den Heiligen Geest, Gal. 5 : 22, behoort tot den wandel der geloovigen waardiglijk der roeping, waarmede zij geroepen zijn, Ef. 4 : 1, 2, Col. L I 11, 3 : 12, 2 Tim. 3 : 10, 4 : 2. In Jac. 5:7,8 beteekent langmoedig-zijn: geen haast hebben. [ 20.

Lannoy (Juliana Cornelia Baronesse de), geboren 1738, gestorven 1782, is een van de meest typische representanten van den geest, die het letterkundig leven van het einde der 18e eeuw bezielde en zijn uiting vond in de z.g. „Dichtgenootschappen" met hun navolging van de Fransche classieken en kunstvoorschriftendwingelandij. Zij was de dochter van een officier, commandant eerst van Breda, later van Geertruidenberg. Door de locale gesteldheid kon van een opvoeding naar haar aanleg weinig komen, maar ze bekwaamde zichzelf in Fransch en Engelsch en leerde van den Bredaschen rector Latijn. Nog jong trad zij reeds als dichteres op met haar „dichtbrieven", satirische rij men, waarin zij haar denkbeelden ontvouwde. Zoo Aan Avitus en Aan mijn geest, (een hekeldicht tegen de heerschende opvatting, dat vrouwen niet in staat zouden zijn de wetenschap en de fraaie kunsten te beoefenen), Het Gastmaal, (een niet ongeestige bespotting van plichtplegingen bij officieele gelegenheden). Bekendheid en lof verwierf zij zich met haar drie treurspelen, navolgingen respectievelijk naar Corneille en Voltaire en alszoodanig geheel in overeenstemming met den geest van den tijd: Leo de Groote, De belegering van Haarlem, Cleopatra, koningin van Syriën. Maar haar grootsten roem dankte zij aan haar lierzangen, van welke een viertal door de Haagsche en Leidsche Genootschappen met goud of zilver werden bekroond: De waare vereischten in een dichter, Karei V aan zijn zoon Philips II, Lof der Heeren Van der Does, \an der Werff en Van Hout, De waare liefde tot het Vaderland. Deze stukken werden om hun stoutheid van toon, verhevenheid van gedachten en „bevalligheid" van vorm als om strijd geprezen en tal van lofdichters wedijverden met elkander in zwierige en hoffelijke ingenomenheidsbetuigingen. Onder dezen stonden Feith en Bilderdijk vooraan. De laatste, die zelfs verklaarde dat haar poëzie hem tot een dichter

— LAOCOON

had gemaakt, verheerlijkte haar tot in het uitbundige om haar „vernuft, verstand en hart" en toen zij overleden was en in een menigte van overdreven lijkdichten was betreurd, bezorgde hij met de uiterste piëteit haar „Nagelaten Dichtwerken". Met de meeste vooraanstaande dichters en letterkundigen van haar tijd stond ze in regelmatige briefwisseling en zooveel klank had haar naam, dat nog in 1851 haar werk werd gedrukt en gelezen. Voor nieuwer besef heeft zij alle beteekenis verloren, juist omdat haar werk zoo geheel 18e eeuwsch is, haar kunst die is van de onoorspronkelijke en verstandelijke dichtgenootschappen-opvatting en haar denkbeelden niet heenreiken over de grenzen van haar tijd. [ 45.

Lans. In de Staten-Overzetting van de Heilige Schrift is slechts tweemaal sprake van de lans n.m. in Job 39 : 26 bij de beschrijving van het paard en in Job 41 : 20, waar van den Leviathan gezegd wordt, dat hij „belacht de drillingen van de lans". De lans was een wapen om te stooten of te werpen. Het woord spies komt veel vaker voor. Toch wordt er ongeveer hetzelfde mede bedoeld. Spies heet in het Hebreeuwsch chanith. Naast het zwaard was de spies het hoofdwapen. Men leest er van bij Saul (1 Sam. 18 : 10; 19 : 9; 20 : 33; 22 : 6; 26 : 7; 2 Sam. 1:6); bij David (1 Sam.21:8) en de helden van zijn tijd (1 Sam. 26:8; 2 Sam. 2 : 23; 8 : 18; 1 Kron. 11 : 11, 20). Gewone krijgslieden hadden er ook een en zelfs geheele afdeelingen van krijgers (1 Sam. 13:19,22). [ 24.

Lans (Michael Johannes Adrianus), Roomsch-Catholiek godgeleerde en muziekgeleerde, geboren te Haarlem 1845, studeerde te Hageveld en werd in 1869 priester. Hij was enkele maanden kapelaan te Hillegom en werd in 1869 benoemd tot professor aan het Seminarium te Hageveld, waar hij bleef tot 1887. Toen werd hij pastoor te Schiedam. Daar bleef hij tot 1896. Toen werd hij president van het GrootSeminarium te Warmond, totdat hij geroepen werd tot deken van Amsterdam. Zijn levensarbeid lag op het terrein der gewijde muziek. Hij ijverde voor de kennis van het Gregoriaansche gezang in den kerkelijken eeredienst. In 1876 begon hij reeds met de uitgave van het St. Gregoriusblad, Tijdschrift tot bevordering van kerkelijke toonkunst, in 1904 werd op zijn initiatief ingesteld een Bisschoppelijke commissie van toezicht op kerkmuziek. Zijn verdiensten werden algemeen in de Catholieke kerk erkend. Hij was Eere-kannunik van Carthago, Kanunnik van het Kathedraal-kapittel te Haarlem, Geheim kamerheer van Z. H. den Paus. Lans schreef veel over de kerkelijke muziek o.a. Handboek ten gebruike bij het onderwijs in den Gregoriaanschen zang (1875), Nieuwe uitgave der Gregoriaansche zangboeken (1875), Het leven van pater Bernard (1877), Eeredienst en toonkunst (1882). Marialiederen (1887) en vele andere. Hij stierf te Amsterdam in 1908. [ 24.

Laocoon, de zoon van Antenor, was priester van Apollo te Troje. Hij waarschuwde tegen het achtergelaten Trojaansche paard, omdat hij oordeelde, dat het paard een werktuig der misleiding was. Daarna maakte hij zich gereed om een offer te brengen aan Poseidon. Hierop na-

578