is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

604

LEDEGANCK

den ze veel van ingevingen. Ze leven niet zonder het Woord, maar ze hebben altoos iets bij het Woord. Ze zijn zeer nauwgezet in het onderhouden van de wet. Voornamelijk het sabbatsgebod houden zij hoog. Ze vatten den sabbat zeer wettisch op. Zaterdags houden velen hunner al een Voorsabbat. Op Zondag mijden zij zooveel mogelijk den omgang met de wereld en zij onthouden zich van bijna eiken arbeid. Spijzen maken ze schier niet gereed. Velen hunner laten Zondags alle gordijnen aan de voorzijde van het huis vallen, om niet door de wereld afgeleid te worden. En dan besteden ze den ganschen Zondag aan godsdienstige dingen: kerkgaan, Bijbellezen, het lezen van oude schrijvers enz. Ze zijn in alle dingen matig. Velen hunner bidden voor al wat zij gebruiken, zelfs voor een kop koffie of thee. Dat deed Ledeboer ook. Hun kleeding is uiterst eenvoudig. Zelfs hun gang is eigenaardig. Hun vaak gebogen houding moet te kennen geven een gevoel van onwaardigheid.

In hun huiselijk leven zijn het stille en nette menschen. Alle weelde is uit hun woning geweerd. Overal heerscht eenvoud. De Ledeboerianen zijn zeer stil. Ze zijn nooit uitbundig noch in het betoon van hun vreugde noch in het betoon van hun smart. Ze zijn voor niet-Ledeboerianen wat terughoudend, alsof ze iemand wantrouwen.

In het maatschappelijk leven zijn het menschen, waar men staat op maken kan. Ze doen niet gemakkelijk iets tegen hun consciëntie. Natuurlijk zijn ook hier uitzonderingen. Het zijn geen engelen, maar, wat hun soliditeit aangaat, vertoonen zij iets van het karakter der oude Kwakers.

In het kerkelijk leven zijn ze zeer subjectief. Hun sterk gedreven individualisme deed hen terecht komen in de wateren van het Independentisme. Ze komen zeer getrouw ter kerk, maar ze maken onder hun leden een scherp onderscheid wat het geestelijk gehalte aangaat. Daarbij vergeten ze maar al te vaak, dat over het hart God alleen kan oordeelen. De sacramenten genieten onder hen niet die waardeering, welke ze behooren te hebben als middelen der genade, door God Zelf verordineerd. Het avondmaal wordt maar schaars bediend en dan zitten er maar weinigen aan. Dedoop wordt soms maanden uitgesteld zonder genoegzame reden. Het catechetisch onderwijs is niet in bloeienden staat en huisbezoek WOfdt in de vacante kerk weinig gedaan.

In den loop der tijden is er ook bij de Ledeboerianen wel verandering gekomen. Het jongere geslacht toont hetzelfde type niet meer als het oudere. En, omdat de Ledeboerianen een zeker dualisme huldigen van natuur en genade, waardoor zij iets van het Doopersche karakter vertoonen, ziet men nog al eens, dat, wanneer de genade op den achtergrond komt, de dienst der wereld zeer de harten begint te vervullen en men tot godsdienstloosheid vervalt. Daarenboven vergete men niet, dat vele Ledeboerianen tot geestelijke aanstellerij vervielen. Wat bij Ledeboer natuur was, is bij vele volgelingen kunst, imitatie geworden. Velen meenen, dat buitengewoon zijn hetzelfde is als godzalig zijn en dat begint zich te wreken. Men maakt van bijzaken hoofdzaken en daardoor leidt men zich¬

zelven en zijn kinderen vaak van de hoofdzaak af.

Op staatkundig gebied hebben de Ledeboerianen langen tijd een groote onverschilligheid aan den dag gelegd, maar dit is anders geworden. Men doet tegenwoordig mede aan de verkiezingen en men stelt zelfs candidaten voor Gemeenteraad, Provinciale Staten en Tweede Kamer. Enkele schijnen te meenen, dat men het beste regeert in een land met een gemengde bevolking, wanneer men dingen voorstelt, die onmogelijk te bereiken zijn. Men kan in's lands vergaderzaal maar niet volstaan met enkele losdoorheen-geworpen bijbelteksten. [ 24.

Ledeganck (Karei Lodewijk), (1805— 1847) behoorde tot de medestanders van Jan Frans Willems (1793—1846), den bekenden strijder voor de rechten der Vlaamsche moedertaal tegenover het om zijn invloed en voorkeur gehate Fransch. Door hun taalstudie, meer nog door hun proza en poëzie, hebben Willems, Ledeganck, Theodoor van Rijswijk, Johan Alfred de Laet, P. F. van Kerckhoven, later ook Hendrik Conscience en de zijnen, de mannen van „de Vlaamsche Beweging", belangstelling en liefde voor de eigen Vlaamsche taal gekweekt. Naast Willems, den „koning", is Ledeganck genoemd „de veldmaarschalk der Vlaamsche beweging" (Schimmel).

Karei Lodewijk Ledeganck, geboren in 1805 te Eekloo, was een onderwijzerszoon. Na zijn lagere-schooljaren kwam hij als spoeler in een linnenweverij, maar, door zijn vaardigheid in het dichten opgemerkt, klom hij op tot klerk van de secretarie ter plaatse. Dank zij den geldelijken steun van enkele beschermers, kon hij naar de Gentsche Hoogeschool vertrekken, waar hij in 1835 den titel van doctor in de rechten verwierf. Kort daarna werd hij vrederechter te Kaprijk (later te Zomergem) en spoedig ook provincieraad van Oost-Vlaanderen. In 1842 schoolopziener geworden en in 1845 „professeur agrégé" aan de Gentsche Hoogeschool, overleed hij in 1847 aan de tering.

Als dichter trad Ledeganck niet in een gelukkigen tijd op. De beoefening der letterkunde geschiedde vrijwel uitsluitend door de rederijkersgilden, die hun kracht zochten in smakelooze 18e eeuwsche rijmelarij. Ledeganck ontwikkelde zich echter vrijwel onafhankelijk van deze dichtgenootschappen. Hij richtte zich naar Lamartine en Byron, vooral ook naar Rheinvis Feith. Toch dong hij herhaaldelijk mee in de prijskampen der rederijkers en meer dan eens verwierf hij bekroningen; zelfs maakte hij zich naam door zijn gedicht Zegepraal van 's Lands onafhankelijkheid en de Lotsbestemming des Vaderlands, bekroond bij een door de Regeering uitgeschreven, nationalen wedstrijd. De invloed van zijn „leermeesters" deed zich in zijn poëzie sterk gevoelen: haar kenmerken zekere overgevoeligheid en zwaarmoedigheid (Bloemen mijner lente, Het graf mijner moeder, De Boekweit) en een neiging, tot het romantische, met Byroniaansch-griezelige effecten (De hut in 't woud, De weduwe en de Wees, Het burgslot van Zomergem, De Zinnelooze, De laster). De laatstgenoemde, verhalende poëzie, is meest in den romance-vorm gesteld. Ledegancks beste werk is zijn groote lyrische trilogie De