is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LINDSEY — LINQEN

685

en richtte dat tot weeshuis in. In 1867 werd de weesinrichting naar Neerbosch verplaatst, waar zij zich zeer uitbreidde en een middelpunt van Christelijken arbeid werd. Onder veel zorg en moeilijkheden werkte de directeur met liefdeen ijver aan het doel, om al die weezen den indruk te geven dat Jezus in de wereld gekomen is om hen gelukkig te maken. En menig kind, dat anders onherroepelijk verloren zou zijn gegaan, is daar gered. Ook de weezendrukkerij waar o.a. Het Oosten gedrukt werd, werkte met veel zegen. In 1903, na 40-jarigen arbeid, legde Van 't Lindenhout het directeurschap der weesinrichting te Neerbosch neder. In die 40 jaar werden er 3085 weezen verpleegd. [ 30.

Lindsey (Tneophilus), geboren 20 Juli 1723, gestorven 1808, bekend uit den strijd over de 39 Artikelen. Hij ontving zijn vorming in . Cambridge, werd in 1747 prediker in Spitelfields in Londen, reisde als kapelaan van den Hertog van Somerset naar het vasteland, en was daarna leeraar te Kvikby Wilk, Piddelton en Catterick. Hij trachtte in 1771 den tweespalt inzake de 39 Artikelen waarin hij zich bevond met zijn aanhangers, op te lossen door een smeekschrift aan het Parlement te richten waarin hij losmaking verzocht van de verplichting die in die artikelen opgelegd was. Toen dit werd geweigerd, trad hij in 1773 uit zijn ambt, stichtte in 1774 in Londen een Unitarische gemeente, aan welke hij tot 1793 verbonden bleef. Hij schreef tot rechtvaardiging van zijn standpunt in 1774 zijn apologie, en in 1782 een uiteenzetting van de leer der Unitaristen: The Catechist, en in 1783 een geschiedenis van de Unitarische leer. [ 28. , Lingen (Frederik Philip Lols Constant ftcvan), geboren te H^rwjjnen 15 April 1832, overleden te Velp 31 Augustus 1913, bezocht als

knaap het gymnasium te Zalt-Bommel, werd in 1848 theologisch student te Leiden, legde daar in 1852 candidaatsexamen af, en werd 3 Mei 1854 tot de Evangeliebediening in de Nederlandsch Hervormde kerk toegelaten. Zijn eerste gemeente was Hensbroek, waar hij 14 Januari 1855 bevestigd werd. Toen hij predikant werd, was hij met het hoofd modern, met het hart rechtzinnig. Door een tractaatje bekeerd, predikte hij nu voortaan de noodzakelijkheid en de zaligende kracht der wedergeboorte. Tot het jaar 1859 was hij nog te Hensbroek werkzaam. Toen ontving hij een roeping naar Broek op Langendijk, welke gemeente van ouds als rechtzinnig bekend stond. En ofschoon hij hier slechts een drietal jarén arbeidde, toch voelde hij er zich bijzonder op zijn plaats en was er met zegen werkzaam. In dien tijd schreef hij meermalen artikelen in De Heraut, en besprak hij op menige vergadering den droeven toestand der Nederlandsch Hervormde kerk, waarvoor hem allengs de oogen waren opengegaan, terwijl de Vereeniging tot handhaving van de leer en de rechten der Nederlandsch Hervormde kerk hem tot haar Voorzitter koos. In 1862 werd ook mede door zijn toedoen, in Odeon te Amsterdam, de Evangelisch-Confessioneele Predikantenvereeniging opgericht, en in het hoofdbestuur van de in 1864 te Utrecht opgerichte Confessioneele Vereeniging had hij jarenlang zitting. Met dat al

was hij evenwel niet voldaan. De beste weg tot kerkherstel was z. i. godvreezende jongelieden tot predikant op te leiden. Zelf begon hij met een tweetal jongelingen. In 1862 nam hij het beroep aan naar Zetten, waar hij tot 1881 werkzaam was. Hier was het ook, dat hij de vertataling van Dachsel's Bijbelverklaring ter hand nam en voltooide. Bovenal echter stelde hij zich de opleiding tot het predikambt ten doel. Voortdurend breidde zich het aantal jongelingen uit. Zoo ontstond langzamerhand het gymasium te Zetten, waarvoor 16 September 1867 het reglement werd vastgesteld. Tien jaar later werd het gymnasium verbouwd en vergroot, en ging ook Ds van Lingen met zijn gezin het bewonen. In 1881 verkreeg hij op zijn verzoek eervol ontslag als predikant, om zich voortaan geheel aan het gymnasium te wijden. Aan de Doleantie nam hij een werkzaam aandeel, door candidaat Houtzagers mede te examineeren en als predikant te Kootwijk te bevestigen. In een maandschrift, Petahja, ijverde hij voor de Doleantie. Ontevreden over den gang van zaken ging hij echter in 1891 tot de Christelijke Gereformeerde kerk over. Van toen af werd hem zijn arbeid te Zetten steeds moeilijker. In 1893 verzocht en verkreeg hij daarom als directeur van het gymnasium ontslag. Hij nam nu een beroep aan naar de Christelijke Gereformeerde kerk te Rotterdam, waar hij terstond weer aanving jongelingen op te leiden tot den dienst des Woords. En reeds het volgende jaar benoemde de Synode der Christelijke Gereformeerde kerk hem tot docent aan haar Theologische School te 's Gravenhage, aan welke inrichting hij tot 1909 werkzaam was. Tot op het laatst van zijn leven schreef hij nog

«•van tijd tot tijd artikelen in dag-en weekbladen.

Op 80-jangen leeftijd nam hij zelfs nog ijverig deel aan de werkzaamheden der Commissie voor een nieuwe Bijbelvertaling, en tot Februari 1913 diende hij nog vacante gemeenten in de prediking des Woords. Na een pijnlijke oogoperatie spoedde zijn loopbaan ten einde En in zijn woning El-Nathan te Velp ontsliep hij in den ouderdom van ruim 81 jaren. [ 30.

Lingen (Gottlieb Wilhelm Antony van der), geboren te Kaapstad 29 Mei 1804, overleden te De Paarl (Kaapkolonie) 7 November 1869, was de zoon van een zendeling, die door het Londensch Zendelinggenootschap naar Kaapstad was gezonden. In het begin van 1818 vertrokken zijn ouders met hem naar Europa, waar zij te Harmeien bij Utrecht den ouden grootvader begroetten. Na te Utrecht op de Hiëronymusschool te zijn voorbereid, werd hij daar 14 September 1822 als student ingeschreven. Een geloovig medestudent Kohlbrügge werd het middel tot zijn bekeering. In 1827 tot candidaat in de Godgeleerdheid bevorderd, werd hij in 1828 aan zijn geboorteland herinnerd, toen te Utrecht de Kaapsche student Hendrik Faure, die daar theologie studeerde, overleed. En het verlies, dat de Kaapsche kerk lijden zou in dezen veelbelovenden jongeling, deed hem besluiten zijn krachten en talenten aan de Zuid-Af rikaansche kerk te wijden. Hij ontving een beroep naar de volksplanting Zwartland. Den 6den Januari 1831 te Kaapstad aangekomen, vernam hij daar dat de