is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LOKKEN — LOKMIDDELEN

711

Lokken. Het werkwoord in 't Hebreeuwsch gebruikt voor lokken, overreden, wordt meermalen gebezigd in verkeerden zin: overreden tot iets kwaads, bijv. 1 Kon. 22 : 20, 22 enz.; verlokken, Ez. 14 : 9; bedriegen met woorden, Ps. 78 : 36, Spr. 24 : 28. Maar het kan ook gebruikt worden en wordt een enkele maal gebruikt, ten goede: Jer. 20 : 7: „Heere, Gij hebt mij overreed en ik ben overreed geworden", en Hos. 2 : 13 (Hebreeuwsch : 16) waar het waarschijnlijk beteekent, gelijk het de Statenvertaling overzet (de eenige maal dat het woord tokken in den Bijbel voorkomt): „Daarom ziet, Ik zal haar lokken [nl. ulieder moeder, Israël] en haar voeren in de woestijn en Ik zal naar haar hart spreken". De zin van dit woord is deze: „daarom, nl. omdat zij Mij vergeten heeft, roep Ik Mij haar in gedachtenis terug, eerst door de straf, vs 5 en 8, en dan, nadat deze haar doel bereikt heeft, nadat zij gezegd heeft: „ik zal wederkeeren tot mijn vorigen man", vs 6, door de liefde" (Hengstenberg, vgl. Keil, Comm.). Dit lokken veronderstelt dus de eerst toegepaste straf, het verstooten van Kanaan; een straf, die nu wordt vergeleken met een wegvoering naar Egypte. Het lokken in de woestijn is dan, in beeldspraak, bedoeld als een lokken in de woestijn van Arabië, den weg van Egypte naar het Heilige Land, gelijk de Heere in Mozes' tijd Zijn volk Israël alzóó verlost heeft. Lokken is hier dus gebruikt sensu bono, in een goeden zin; de woestijn is geen strafplaats maar weg van verlossing uit de dienstbaarheid tot de vrijheid. God zal er Zijn volk naar het hart spreken, troosten door woord en daad. Deze geheele voorstelling is „typisch"; profetie van den weg der gemeente uit 't juk der dienstbaarheid door de „woestijn" des levens met haar beproevingen, maar ook met haar Manna en watergevende rotssteenen, tot het land overvloeiende van melk en honig, het hemelsch vaderland. [ 41.

Lokmiddelen. (Evangelisatie). Lokken is met de stem of met gebaren iemand tot zich roepen. Een lokwoord is een verleidelijk woord. Een lokmiddel dient, om te verschalken, wie eerst onwillig zich betoonde.

Ook op het gebied der Evangelisatie willen velen thans allerlei lokmiddelen invoeren. Zij zijn derhalve bedacht op wat door aangenamen vorm, door excentrieke voorstelling zich onderscheidt, en alzoo méér hoorders bij de toespraak, meer lezers voor de tractaten lokt. Als gij de schouders bedenkelijk daarvoor ophaalt, krijgt ge ten antwoord, dat andere tijden roepen om andere middelen, dat de zeer veranderde omstandigheden ook wijziging van de werkmethode eischen — en wettigen. Ofschoon hierin een element van waarheid ligt, toch is er alle reden tot voorzichtigheid en behoedzaamheid. Bij het gebruik van lokmiddelen in dienst der Evangelisatie heeft lichtelijk een vermenging plaats van wat niet bij elkander hoort, en, zoo het tóch vereenigd wordt, elkaar niet verdraagt. Evangelisatie beoogt een geestelijk doel, n.1. dat zfl, die van God en zijn Woord vervreemd zijn, weer mogen komen tot rechte Godskennis, ware zelfkennis, reddende Christuskennis. Nu pleiten velen er voor om bij dezen geestelijken arbeid

vleeschelijke middelen aan te wenden. Met name zülke middelen, die den menschen aangenaam en welgevallig zijn. Hier is een poging om het Evangelie te richten en te schikken naar den zin van den mensch; het te brengen onder vormen en met middelen, die den mensch aantrekken; zooals het hem in 't gevlei komt en hij het gaarne heeft. Dit is een hoogst bedenkelijke en gevaarlijke zaak.

Ongetwijfeld heeft ook de Evangelisatie ernstig rekening te houden met de stroomingen van den tijd. Doch zij mag geenszins zich daarnaar schikken en plooien. Anders geraakt, wie uitgaat om terecht te brengen, zelf in het doolhof. Dit gevaar is des te grooter, wijl het in den regel zóó ongemerkt en zóó geleidelijk zich opdoet, dat wij zelf er ons niet van bewust zijn, hoe verkeerd het gaat. Het roepen om lokmiddelen toe te passen bij het werk der Evangelisatie rust op een jammerlijk zielkundig misverstand. Het grondt zich op de volstrekt onhoudbare stelling, dat onze eeuw het Christendom wél aanvaarden zou, indien het maar wat aantrekkelijker en bekoorlijker werd voorgesteld. Wie aan dit denkbeeld toegeeft, vergrijpt zich aan de majesteit van Gods heilig Woord. Hij stelt zich op het standpunt van wat de menschen willen, instede van zich nauwgezet te houden aan 's Heeren ordinantiën. In plaats van zich te onderwerpen aan het objectief en onomstootelijk gezag der Heilige Schrift, handelt men naar geheel subjectieven maatstaf. Wie het nauw neemt, zal deze vermenging van het geestelijke met het vleeschelijke tegenstaan. Niet op de altijd wisselende omstandigheden, maar op de eeuwige waarheden van Gods Woord zij allereerst en allermeest ons oog gevestigd. De krankheid van het leven onzer twintigste eeuw is de zucht naar eindelooze veelvormigheid en rustelooze verandering. Heel het schreeuwerige en kleurige reclame-beweeg, zooals wij dat steeds meer rondom ons zien, is uitbeelding van het kabbelende tijdleven. Het zoo druk uitwendig gedoe van onzen tijd is voos door gemis aan „durende" dingen.

De Evangelisatie nu plaatst den mensch voor het onfeilbare, eeuwig onveranderlijke Woord Gods. Zij moet den eisch van dat Woord doen gelden in waarschuwing en vermaan, in vriendelijke noodiging, maar ook in getrouwe bestraffing. De eerste, objectieve eisch van alle wareEvangelisatiearbeid is de verkondiging van het Woord Gods in zijn levende eenheid van gebod en belofte, van de woorden en daden van Christus. Wie nu uit vreeze, dat zulks den mensch niet aangenaam zal wezen, het getuigenis der Schrift wat verzachten, afslijpen of omhullen wil, bezondigt zich aan 's Heeren heiligheden. De Waarheid Gods is toch niet ónze zaak, waarmede wij naar eigen believen marchandeeren mogen. Het gebruik van allerlei lokmiddelen is principieel af te keuren en in zijn gevolgen noodlottig, wijl het dreigt heel het werk te doen mislukken. Het geestelijke zal daarbij al spoedig achter het stoffelijke schuil gaan. Bij de Evangelisatie mag het ons niet te doen zijn, om de gunst of goedkeuring van kleine of groote menschen. De arbeider in het koninkrijk Gods is geen winkelier, die er boven alles op bedacht is en daartoe alles