is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

LOOFHUTTENFEEST

Heere verkiezen zou (Deut. 16:1—17). Het moest aanvangen „op den vijftienden dag van de zevende maand; op den eersten dag zal een heilige samenroeping zijn; geen dienstwerk zult gij doen. Zeven dagen zult gij den Heere vuurofferen offeren, op den achtsten dag zult gij een heilige samenroeping hebben, en zult den Heere vuuroffer offeren; het is een verbodsdag; gij zult geen dienstwerk doen" (Lev. 23:34 v.vj. 't Was een landbouwfeest, en werd gevierd als Israël zal hebben ingezameld van zijn dorschyloer en van zijn wijnpers (Deut. 16 : 13). Het wordt genoemd het feest der inzameling en gevierd als het jaar om is (Ex. 34 : 22). Dit feest diende een vroolijk karakter te dragen: gij zult vroolijk zijn op uw feest (Deut. 16 : 14a). Op dit feest moesten, als op de beide andere groote feesten, bizonder rijke offers worden gebracht: vuuroffer, brandoffer en spijsoffer, slachtofferen drankofferen, elk dagelijks op zijnen dag (Lev. 23 : 37). In Num. 29 : 12 v.v. vinden wij een optelling van hetgeen moest worden geofferd.

Het volk hield op dit feest zijn offermaaltijden, die meestal bestonden uit vrijwillige gaven; het diende te wonen in loofhutten, waartoe het op den eersten dag moest nemen takken van schoon geboomte (sierplanten), palmtakken en

Heere Zijn volk had uitgeleid en onderhouden in de woestijn. In Nehemia acht lezen wij dat Ezra de familiehoofden, de priesters en de Levieten beval naar de woorden der wet door Mozes gegeven om uit te trekken naar 't gebergte en takken van olijven en oleasters, van mirten en palmen, van loofrijke boomen te halen om zich hutten te maken, naar de Schrift. Dat het volk zich hutten bouwde, elk op zijn dak, alsmede in hun hoven in de voorhoven van den tempel, op het plein van de Waterpoort en op dat van de Efraïmspoort. Er heerschte zeer groote vreugde. Zóó hadden zij dit feest nog niet gevierd van af de dagen van Jozua (Neh. 8 : 18). Niet dat dit feest geheel verwaarloosd zou zijn geweest. Misschien wordt het loofhuttenfeest bedoeld in 1 Sam. 1 : 21. In ieder geval wordt dit feest bedoeld in 1 Kon. 8 : 2 (de zevende maand, de maand Ethanim). In 2 Kron. 5 : 3 heet het eenvoudig het feest. Eigenaardig is hetgeen 2 Macc. 10 : 6 v.v. mededeelen: „En zij hielden met vreugde feest, gelijk een feest der loofhutten." Hieruit blijkt klaar het bizonder vroolijk karakter van dit oogstfeest. Toch sluit de viering steeds weer in de gedachtenisviering van Gods reddende hand; ook hier in den tijd der Maccabeën; er volgt toch: en gedachten

Verschillende afbeeldingen paft loofhutten.

meien van dichte (loofrijke) boomen (Lev. 23:40).

Israël diende dit feest te vieren opdat zijn geslachten zouden weten, dat de Heere de kinderen Israëls in loofhutten had doen wonen, toen Hij het uit Egypte uitgevoerd had (Lev. 23 : 43). Zoo is het dan niet bloot een landbouwfeest, maar diende in dankbare vroolijkheid de herinnering levendig te houden aan het heitsfeit dat de

daarbij, dat zij een korten tijd te voren het loofhuttenfeest in de wildernissen en in de holen, als de wilde dieren gehouden hadden. Jonathan de Maccabeër trekt het hoogepriesterlqk kleed aan op het loofhuttenfeest (1 Macc. 10 : 21). Ezechiël noemt onder de feesten, door hem weer voor de toekomst verordend, ook dit feest (Ezech. 45 : 25), en Zacharias noemt met name de straf