is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

744

LUTHER

aflaathandel in een groot gedeelte van Duitschland. Deze stelde Joh. Tetzel, een Dominicaan, tot onder-commissaris aan. Nadat Arcimboldi naar Scandinavië getrokken was, ging Tetzel over in dienst van Albrecht van Mainz. Nu doorreisde hij 'het gansche land (in Saksen mocht hij echter niet komen) en hij verrichtte zijn werk met groote schaamteloosheid. Hij kwam opzijn reizen ook te Jüterbogk en Zerbst, dicht bij Wittenberg. Luther bemerkte de schadelijke gevolgen van dezen aflaathandel in den biechtstoel. De bijbelsche leer der boete zag hij met voeten getreden. Tetzel verkondigde: „Sobald das Geld im Kasten klingt die Seele aus dem Fegefeuer springt." Toen werd het als een vuur in Luthers binnenste. Eerst predikte hij tegen den aflaathandel, maar op 31 October 1517, een dag voor Allerheiligen, sloeg hij naar academisch gebruik 95 stellingen aan tegen de deur van de slotkerk te Wittenberg. Die stellingen hadden alle betrekking op den aflaat (o.a. stelling 6: de paus kan geen schuld vergeven, dan inzoover hij bevestigt, wat door God vergeven is. Stelling 7: God vergeeft aan niemand schuld, die zich niet tevoren verootmoedigt. Stelling 32: Eeuwig zullen met hun leeraars ten verderve gaan, die meenen door aflaatbrieven van hun zieleheil verzekerd te zijn). De teerling was geworpen. Binnen korten tijd waren deze stellingen wijd en zijd verspreid.

Niemand meldde zich aan om met Luther te disputeeren. Tetzel alleen roerde zich. Hij verbrandde te Jüterbogk Luthers stellingen en stelde tegenover die stellingen er 106, die echter niet van hemzelven waren, maar van professor Wimpina. In die stellingen werd de leer van den aflaat verdedigd met een beroep op Thomas Aquinas, Tetzel werd door de universiteit te Frankfurt am Oder tot doctor in de theologie benoemd. Luther antwoordde in 1518 met een Sermoen van den aflaat en de genade. Tetzel schreef daarop Vorleging wyder eyner vormessen Sermon en gaf daarna een tweede reeks stellingen in het licht. Luther antwoordde daarop met een geschrift: Freiheit eines Sermons pdpstlichen Abtass belangend.

b. De strijd tegen Luther. Paus Leo X had eerst gedacBt, dat de heele zaak te Wittenberg slechts een monnikentwist was. Hij noemde broeder Martinus „ein sehr guter Kopf', maar dat zou anders worden. De Dominicaan Sylvester Prierias (Mazzolini), pauselijke boekencensor, schreef tegen Luther en nam Tetzel in bescherming. Het was Luther niet moeilijk den Dialogus van Prierias te weerleggen. Prierias schreef voor de tweede en derde maal, maar werd op schertsenden toon door Luther andermaal weerlegd. De paus legde den onhandigen Dominicaan het zwijgen op. In Mei 1518 schreef Luther aan den paus een deemoedigen brief, waarin hij trachtte zijn stellingen te verdedigen. Von Staupitz zou den brief overhandigen. Intusschen maakte men zich in Rome gereed tot den strijd. Op 7 Aug. 1518 ontving Luther een oproeping om binnen 60 dagen in Rome te komen, om zich te verdedigen De Wittenbergsche universiteit bewerkte, dat Luther in Duitschland zou verhoord worden en Frederik de Wijze wist van den paus te ver¬

krijgen, dat Luther te Augsburg voor den pauselijken legaat, kardinaal Cajetanus, zou verschijnen. Deze ontmoeting had plaats Oct. 1518. Cajetanus beriep zich als een echte scholasticus op de scholastieken, maar Luther beriep zich op de H. Schrift. Luther bood aan zijn stellingen aan het oordeel van verschillende universiteiten te onderwerpen. Cajetanus eischte herroeping der stellingen en dreigde met ban en interdict. Nu beriep Luther zich 16 Oct. 1518 van den slecht onderrichten op den beter te onderrichten paus. Heimelijk verliet Luther Augsburg. Daardoor ontkwam hij aan een inhechtenisneming. Toen eischte Cajetanus Van den Keurvorst, dat deze Luther naar Rome zou zenden; maar de Keurvorst antwoordde, dat hij gaarne het oordeel van enkele universiteiten zou hooren en dat hij zoolang Luther op een veilige plaats wilde bewaren. Luther beriep zich op 28 Nov. 1518 van den paus op een algemeen concilie. Ondertusschen was Luther veilig in Wittenberg, leerde en predikte daar, en schreef zijn Uitlegging van het Onze Vader.

Om Luther van den steun, welken hij van den Keurvorst genoot, te berooven, zond de paus den Saksischen edelman Karl von Mtttitz, pauselijk kamerheer, tot Frederik den Wijze, om dezen de gewijde gouden roos aan te bieden, en om van hem te vragen, dat hij Miltitz in diens optreden tegen Luther helpen zou. Op een samenkomst te Altenburg in Jan. 1519 verklaarde Luther aan den vriendelijken kamerheer, dat hij bereid was een schrijven aan den paus te zenden waarin hij leed zou betoonen over zijn te scherp optreden, dat hij de Duitsche Christenheid vermanen zou tot onderwerping aan den paus, dat hij voor een Duitschen bisschop wilde verschijnen (mits met recht tot appel) en dat hij zou zwijgen en van verderen strijd afzien, indien zijn tegenstanders ook zwegen. In Mei 1519 schreef Luther aan den paus.

c. Dispuut te Leipzig. (Zie art. Letpziger godsdienstgesprek). Een vriend van Luther, Andreas Bodenstetn von Karlstadt, hoogleeraar te Wittenberg, geraakte in een pennestrijd met Drjohann Eek.

Een dispuut zou plaats hebben in Leipzig. In zijn stellingen viel Eek ook Luther aan en deze zag zich genoodzaakt stellingen tegen Eek openbaar te maken. Hij verbrak noodgedwongen zijn belofte aan von Miltitz, omdat de tegenpartij niet zweeg. Een dispuut werd gehouden te Leipzig op den Pleiszenburg. Op 4 Juli 1519 begon Luther en hij beweerde, dat het pausdom een menschelijke inzetting was. Toen Eek daarop zeide: dat hebben Hus en Wiclif ook beweerd, antwoordde Luther, dat onder de door deze mannen verdedigde stellingen vele Evangelisch geweest waren, bijv. de stelling, dat het geloof aan Rome's opperhoogheid niet noodzakelijk was tot zaligheid. Eindelijk erkende Luther, dat een concilie kan dwalen.

Eek werd door zijn vrienden gevleid en door den hertog Georg in Saksen geëerd, omdat hij overwinnaar was geworden; maar Luther had naar het oordeel zijner vrienden gezegepraald. Hij werd ook geëerd, niet het minst door de Humanisten Ulrtch von Hutten en Franz von