is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

36

MAKKABEEËN

Tot 1669 hebben zij zich hier weten te handhaven, maar moesten toen wijken voor de Oost-Indische Compagnie. Naar het oordeel van Valentijn vond men in het Oosten „geen trotscher, vernuftiger, oorlogskundiger noch dapperder volkeren, als de Makassaren." Het is altijd een moedig zeevarend volk gebleven, nauw verwant met de Boegineezen. Hun eigenaardige zeescheepjes, welke nog van denzelfden vorm zijn als eeuwen geleden, doorkruisen den ganschen Archipel. Toen de Portugeezen met hen in aanraking kwamen waren zij nog Heidenen en hoewel er velen gedoopt werden, begon de Islam sinds 1580 al spoedig de volksgodsdienst te worden. Al hebben hier sinds 1670 steeds predikanten gearbeid, de vruchten waren gering omdat men te doen had met „zeer hardnekkige Mooren". In 1754 vinden wij een opgaaf van: lidmaten 115, gemeene (nog niet aangenomen) Christenen 467, schoolkinderen 107, nieuw gedoopte volwassenen en kinderen 40, totaal 729 zielen. Vermoedelijk waren dit hoofdzakelijk vreemdelingen, niet behoorende tot de inheemsche bevolking. Van 1808—1820 was Makasser vacant, maar werd sinds dien tijd weer geregeld door een predikant verzorgd. Het bleef echter hoofdzakelijk een arbeid onder de Europeanen en vreemdelingen. Een der predikanten had zich toegelegd op de studie der Makassaarsche en Boegineesche talen. Dit was de aanleiding, dat het Nederlandsche Bijbelgenootschap in 1848 Dr Matthes afvaardigde tot Bijbelvertaling; Daar hij een viertal jaren Onder-Directeur van het Nederlandsch Zendelingsgenootschap was geweest, ontving hij tevens de opdracht uit te zien naar een plaats van zendingsarbeid onder deze volken. Zoo werd op voorstel van Matthes in 1851 besloten een zending op Zuid-Celebes te beginnen. Zendeling Donselaar kwam in 1852 op dit nieuwe zendingsveld en vestigde zich te Bonthain. De bestaande Christengemeente bestond hoofdzakelijk uit afstammelingen van Europeanen en vreemdelingen en het waren niet veel meer dan „naamchristenen". De zendingsarbeid ging met eigenaardige moeilijkheden gepaard, zoodat men zoo goed als geen ingang bij de eigenlijke bevolking kon verkrijgen. In 1859 liet Donselaar een Makassaarsch traktaatje drukken, bevattende de Tien Geboden, de woorden: Heb God lief boven alles en den naaste als uzelven, den lsten Psalm en het Onze Vader. Dit blaadje werd door den Gouverneur van Celebes in beslag genomen, als zijnde Evangelieverkondiging aan de Makassaren, waartoe men, naar de voorloopige toelating van 1852, geen recht had. De toen gevraagde toelating werd echter geweigerd op grond van de bewering, dat de Makassaren en Boegineezen zulke fanatieke Mohammedanen waren en de Zending licht aanleiding zou kunnen geven tot rustverstoring.

Men was dus in 1861 wel gedwongen het zendingswerk hier op te geven. Dertig jaren bleef dit zendingsveld nu onbezet, totdat in 1895 de Utrechtsche Zendingsvereeniging zendeling Maan kon afvaardigen. Hij vestigde zich in 1897 onder de Makassaren te Tanettija, terwijl zendeling Schut in 1898 een zendingspost opende onder de Boegineezen te Tanette. Niettegen¬

staande een medische dienst, terwijl men taalkundig tot zijn beschikking had een goede Bijbelvertaling en een Bijbelsch Leesboek, was de vrucht zeer gering. De aanvankelijke onverschilligheid der bevolking sloeg zelfs over in lijdelijk verzet en brutaliteit. De vijandschap tegen de zending werd zoo sterk, dat in 1901 het huis van zendeling Schut in brand gestoken werd. Daar het werk onvruchtbaar bleef en de Utrechtsche Zendingsvereeniging haar krachten dringend noodig had op andere zendingsvelden, werd in 1905 besloten het zendingswerk in ZuidCelebes te staken. En tot heden is het onbezet gebleven. [ 48.

Makkabeeën worden genoemd de aanvoerders, en in ruimeren zin ook de aanhangers, van de Joodsche vrijheidsbeweging, welke tegen de staatkundige en vooral de religieuze onderdrukking van den Syrischen koning Antiochus IV Epiphanes (175—164 voor Chr.) in verzet kwam. De naam is te danken aan den bijnaam, dien de voornaamste van deze aanvoerders, Judas, droeg: 6 MaxHajSaïog, de Makkabeeër. Naar alle waarschijnlijkheid hangt deze bijnaam weer samen met het Hebreeuwsche maqqabah = hamer, en wordt daarmee uitdrukking gegeven aan Judas' slagvaardigheid in den strijd.

Het optreden der Makkabeeën neemt een aanvang met de ontplooiing van de vaan van den opstand door den priester Mattathias in Modein. Deze weigerde gehoor te geven aan het bevel van Antiochus om offers te brengen aan de afgoden, en sloeg een Jood die het doen wilde dood, alsmede den koninklijken bode die gekomen was om die offers af te dwingen. Daarop trok hij met zijn vijf zonen Johannes, Simon, Judas, Ëleazar en Jonathan het geheele land door om overal de heidensche altaren te vernielen, de afvallige Joden te dooden en tot openlijk verzet tegen de heidensche onderdrukkers aan te sporen. Mattathias stierf echter spoedig en liet de taak om den opstand te organiseeren aan zijn zonen over. Het was vooral Judas, door zijn vader daartoe aangewezen, die nu als aanvoerder in den strijd op den voorgrond trad. Hij versloeg verschillende Syrische legers, onder Apollonius, Seron, Gorgias en Lysias, nam Jeruzalem weder in bezit, herstelde en reinigde den tempel, en wijdde dien in December 165 voor Chr. opnieuw aan des Heeren dienst. Toen echter na Antiochus' dood Lysias zich onder de regeering van den jongen Antiochus V van de feitelijke macht in Syrië had weten meester te maken en een nieuwen veldtocht tegen de Joden ondernam, keerde de kans: bij Beth-Sacharja werd het leger van Judas verslagen, en zijn broeder Eleazar vond in den strijd den heldendood. Door tegenstand in Syrië zelf zag Lysias zich echter genoopt de onderwerping der Joden te aanvaarden op voorwaarde van vrijheid van godsdienst. Al waren ze dus in den strijd ongelukkig geweest, ze hadden toch datgene verworven waarvoor ze den strijd waren begonnen. Toen evenwel, na dè vermoording van Lysias en Antiochus V, een neef van Antiochus IV, Demetrius, koning over Syrië geworden was, trad er weder een verandering in. Judas en de zijnen vertrouwden den toestand niet, en, naar spoedig bleek, niet ten