is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MANTIEK

57

al hare vormen verbreid over de volken, waarmede de Babyloniërs in aanraking kwamen. En

[ zij vond te gereeder ingang, omdat zij toch

1 reeds in beginsel de mantiek beoefenden. Den verborgen wil der goden te leeren kennen was

S voor het heidendom steeds een der gewichtigste belangen, die nagestreefd en bevorderd moesten

I worden.

f Bijzondere beteekenis werd ook toegekend aan al wat buitengewoon was. Misvormde dieren ; en menschen golden als teekenen, waarop gelet i moest worden. Vooral bij de geboorte, die immers met den stand der sterren verband hield, ' moest op de abnormale vormen acht gegeven worden. Ook bij de geboorte der dieren, was veel te leeren aangaande den wil der goden. 'Zelfs het lot werd gebezigd door het trekken van pijlen en de ingewanden der dieren werden nagespeurd. Zoo zegt Ezechiël 21:21, dat de koning van Babel van waarzegging gebruik zal maken, dat hij pijlen zal slijpen, de terafim zal vragen en de lever zal bezien om inzicht te verkrijgen in het juiste krijgsplan. De pijlen met teekens ; voorzien werden in een koker door elkander geschud. De terafim waren kleine godenbeeldjes, terwijl het doorzoeken der ingewanden van dieren veelvuldig in Babylonië toegepast werd. Er bestonden handleidingen om dit werk op juiste wijze te volbrengen. De vorm en de kleur nad1 den daarbij groote beteekenis. Ook deze mantiek heeft zich blijkbaar naar het Westen verspreid, daar zij ook bij de Romeinen aangetroffen werd.

De wereldbeschouwing der Chaldaeën, die den kosmos als een geheel leerde waardeeren, waarin de hooge goden heerschten, door de wetmatigheid der natuur hunne heerschappij voerden, vond bij de hooger cultureel ontwikkelde volken door haar logische structuur gemakkelijk ingang. De Stoa zelfs werd daardoor geïnspireerd. Geen wonder dus, dat deze technisch uitgewerkte ■mantiek een geweldigen invloed heeft gehad op de Grieksche en Romeinsche cultuur en daardoor tot onder de hedendaagsche Westersche volken zich heeft gehandhaafd. Toch spreekt het vanzelf, dat de vormen, waarin de mantiek zich vertoont, bij de onderscheidene volkeren der oudheid niet precies dezelfde zijn.

In de classieke wereld zijn twee vormen van mantiek te onderscheiden. De eene berust op eene onmiddellijke inspiratie, waarbij de ziener als door den goddelijken geest wordt aangegrepen, dus op een soort openbaring. De andere Vorm is die, waarbij zinlijk waarneembare teekens een rol spelen. Zoo is er dus eenerzijds een spontane mantiek, anderzijds eene met kunstmiddelen in het leven geroepene.

Bij de geïnspireerde mantiek wordt de ziener gedacht als door goddelijke aandrift bewogen, doordat een goddelijke geest in den menschelijken geest ingaat en dezen als overweldigt. De ziener wordt aïzoo gedrongen uit te spreken wat de godheid hem zeggen laat, wordt een orgaan, waarvan de godheid zich bedient. Toch wordt bij de classieken de ziener niet, zooals dit b.v. bij de Shamanen in Siberië het geval schijnt, een willoos werktuig, maar hij blijft zijne persoonlijkheid behouden. Zoo wordt de Homerische ziener Kalchas, die de Grieken naar Troje bege¬

leidde en den duur van den oorlog voorspelde, ons geteekend als ziener, die te allen tijde een bijzondere verlichting deelachtig is en geen buitengewone inspiratie behoeft. Hij heeft niet van nóode door buitengewone middelen te worden opgewekt. Toch wordt meestal de ziener in het classieke heidendom in een soort bedwelming ons geteekend, zoodat hij slechts voor een bepaalden tijd in een extatischen toestand verkeert, waardoor hij intiemer relatie heeft met de godheid, die zich door hem openbaart. Cicero kent dan ook de extase als een psychischen toestand, waarin de ziel hare krachten van het lichamelijke leven terugtrekt om deze op het contact met de geestelijke wereld te concentreeren. Deze extase kan door stoffelijke middelen worden opgewekt, soms ook door ziekte worden veroorzaakt. En ook hij weet reeds van een clairvoyance, die vooral stervenden te beurt zou vallen. Vooral het vrouwelijk geslacht had, naar hij meende, een predispositie voor deze extase, zoodat onderscheidene profetessen in de oudheid worden geroemd om de profetische gaven, die haar sierden. Zoo had Kassandra van Apollo haar profetisch vermogen ontvangen, maar daar zij hem ontrouw werd, strafte hij haar doordat zij nimmer zou worden geloofd. Ook de Sibyllen worden om hare zienersgaven geroemd en de Delfische Pythia was wijd vermaard.

Eveneens nam de droom in de mantiek van Grieken en Romeinen een voorname plaats in. De doodengeesten verschijnen in den droom, soms ook de godheid zelve. De droombeelden worden gezonden door de goden, die zich daardoor openbaren hetzij onmiddellijk, hetzij door symbolen, zoodat zij nadere verklaring behoeven. Droomuitleggers kent ook de classieke oudheid. Toch wist men ook, dat niet elke droom vertrouwen verdiende en werden de goden ervan beschuldigd, dat zij de menschen daardoor trachtten te bedriegen. Men moest dus voorzichtig zijn en critiek over zijne droomen oefenen. Niet elke droom had bovendien beteekenis. Ook maakte men onderscheid tusschen van zelf opkomende droomen en droomen, die door bijzondere voorbereidingen werden opgewekt.

Eene bijzondere functie in de mantiek der classieken had ook het orakel. De plaats, waar dit gevestigd was, heette het „manteion". Daarheen gingen zij op om het orakel te vragen en een antwoord te ontvangen, dat licht gaf over de toekomst. Het eigenaardige hierbij is, dat de beoefening der mantiek gebonden is aan een bepaalde plaats en aan een cultus, zoodat er tusschen de godheid en de menschen een priesterschap staat, die tusschen deze twee als middelaar optreedt. Het orakel wordt alzoo een vaste instelling, welker gezag berust op de nabijheid der godheid. Daardoor wekten zij grooter vertrouwen, dat bovendien door de traditie en door de mare van beroemde uitspraken werd gesterkt. Ook onderscheidden zij tusschen droom-orakels en dooden-orakels, waarbij de heroën-cultus een rol speelde. Beroemd was o.a. de tempel van Asklepios (Aesculapius) in Epidaurus, waarin slangen bewaard werden als teekenen der zich verjongende levenskracht en