is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

112 MAURIK —

brandende liefde heeft verkondigd, en daarvoor heeft gestreden en geleden, gaat er van Maurice's leven en arbeid een sprake uit voor alle tijden. [ 47.

Maurik (Justus van), geboren 1846, overleden 1904, zoon van een sigarenfabrikant te Amsterdam en zelf, ondanks zijn .werken met de pen" heel zijn leven in het vak gebleven, is in onze letterkunde-geschiedenis een der laatste vertegenwoordigers van het „humoristischrealisme", dat in het midden der 19e eeuw naast de Romantiek de voornaamste richting was. Dat humoristisch-realisme had twee hoofdvormen: de schets en de novelle. Justus van Maurik behoorde tot de novellisten. Dickens, hun voorbeeld, was ook zijn geliefde schrijver, van jongs aan. Qroot enthousiast voor alles wat met vertooning samenhing (de poppenkast, het echtAmsterdamsche straatspel, had zijn levendigste belangstelling) begon hij met het schrijven van tooneelstukken. In den regel hadden die, door hun humoristische werkelijkheidsbeelding heen, een min of meer satyrische bedoeling: Een bittere pil b.v. was een bespotting van de emancipatie der vrouw, Janus Tulp van den parvenu, SofZ bestreed de antipathie tegen de Joden, Fijne beschuiten hekelde de schijnvroomheid, Men zegt, de laster en de babbelzucht, enz., maar veelal waren ze meer komiek dan humoristisch. Zijn bekendheid verwierf hij echter met zijn novellen in den trant van het humoristisch realisme, verhalen uit het volksleven, vol van den humor, daaraan eigen, maar niet zelden ook met een duidelijk-sprekend medegevoel voor den arme in zijn zwoegen en tobben (Mie de Porster,Jan Smees, Een menschenleven e.d.). 't Liefst teekende hij Amsterdamsche typen als Isaak op den Dam, Dirk de Snorder, Teun de Nachtwacht. Hij kende hun leven door zijn veelvuldige waarnemingen en gesprekken, en hun Amsterdamsch dialect, doordat hij op de fabriek steeds met het werkvolk praatte en allerlei kernachtige uitdrukkingen, die hij opving, vastlegde, 't Praten met de menschen leverde hem altijd weer zijn stof; meest keuvelde hij met oude vrouwtjes uit het volk of met schippers langs .het water" ('t Damrak), waar hij woonde. Ook in deze vele schetsen (ze zijn in een veertiental bundels verzameld, veelal geïllustreerd door Van Mauriks vriend Braakensiek) is het humoristisch element overheerschend, al ontbreekt ook de satyre niet: de aanspreker b.v., „de kraai", moest het immer ontgelden. Bepaalde typen, de kruier, de schippersknecht, het oude moedertje, de reeds genoemde aanspreker e.d. zijn door hun veelvuldigheid stereotiep geworden en karakteristiek voor Van Mauriks werken. Voor alles had het oude Amsterdam zijn hart; daarover schreef hij, daarvan vertelde hij in de vele Nutslezingen, die altijd een overtalrijk publiek trokken en bijzondere belangstelling vonden. Toen gaandeweg het oude Amsterdam ging verdwijnen door demping, afbraak, onteigening schreef hij zijn Toen ik jong was, om voor jongere geslachten de herinnering aan het goede oude te bewaren. Een zakenreis naar Indië bracht hem in een geheel nieuwe wereld. Hij teekende die in zijn Op reis en thuis en Indrukken van

MAURINEN

een Totok, maar in de spreekavonden, die hij op verschillende plaatsen hield (met name voor de Indische soldaten) sprak hij weer van zijn geliefd Amsterdam en zijn menschen van de grachtjes en de stegen. Veel van zijn schetsen plaatste hij in de Amsterdammer (de Groene) waarvan hij mede-oprichter was: zijne eerste vertelling (Mie de Por ster) en zijn laatste (Op Koninginnevel jaardag) waren beide als bijdragen voor de Groene geschreven.

Over 't algemeen heeft Van Mauriks werk veel waardeering gevonden bij zijn tijdgenooten. Naarmate echter de psycho-analyse in de literatuur ging overwegen, verminderde de belangstelling ; men ging het zien als oppervlakkig, in zijn humor niet altijd fijn en in zijn realisme veelal niet zuiver; vooral ook hinderde de spotzucht met vroomheid in verschillende verhalen, tegenover zekere gemoedelijkheid in andere en de niet te ontkennen eenzijdigheid in ernst en scherts beide. In de typeering van het Amsterdamsche milieu van den tijd heeft het zijn verdienste, maar het werk alszoodanig geeft, naar het woord van Prof. Prinsen, „realiteit van papier-maché" [ 45.

Manrinen, een congregatie der Benedictijnerorde, welke de verdienste had, dat zij in de oude in verval geraakte orde weer nieuw leven verwekte. Reeds was er, althans voor enkele kloosters, een reformatie tot stand gebracht door de congregatie van St. Vannes, die'op verlangen der Fransche geestelijkheid en met goedvinden van Lodewijk XIII in 1618 de congregatie St. Mauri stichtte, welke in 1621 door paus Gregorius XV erkend werd. Van de kloosters, die tot deze congregatie behoorden (men telde in den bloeitijd er 180) was net klooste St. Germaindes-pres bij Parijs het voornaamste. De eer van deze congregatie was, dat zij bewonderenswaardigen ijver betoonde voor de beoefening der wetenschap op velerlei gebied. Zij wekte den naijver en den haat der Jezuïeten op. Omdat zij de Janssenisten vriendschappelijk gezind was, moest zij heftige aanvallen van de Jezuïeten verdragen. Zij bleef arbeiden in het belang der wetenschap. Door de revolutie werd deze congregatie opgeheven. De poging om de congregatie der Maurinen in de abdij Solesmes in 1837 te restaureeren mislukte. De arbeid der nieuwe Maurinen staat bij dien der oude verre ten achter. De oude Maurinen hielden zich voornamelijk bezig met het verzamelen van materiaal voor de geschiedenis der Benedictijner-orde, voor de geschiedenis der kerk in haar geheel, en voor de geschiedenis van Frankrijk. Zij deden verschillende waardevolle werken het licht zien o. a. d'Achery, Spicilegtum veterum altquot scrlptorum (1653—-'77), Mabillon, Vetera analecta (1675—'85), Martène, Collectio nova veterum scrlptorum (1700), Martène et Durand, Thesaurus novus anecdotorum (1717). Zij gaf ook geschriften van kerkvaders uit (Cassiodorus, Ambrosius, Hieronymus, Augustinus, Athanasius, Chrysostomus, Origenes, Benedictus van Aniane, Bernard van Clairvaux, Anselmus, Gregorius de Qroote). Daarenboven gaven de Maurinen uit de Hexapla van Origenes, de Bibliotheca dtvtna van Hieronymus. Zij verzamelden niet alleen materiaal, maar bearbeidden het materiaal