is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MENDEL — MENDELSSOHN

155

Mendel (Jonann Gregor) (1822—1884) werd in Silezië geboren en in een klooster der Augustijner monniken te Brünn opgevoed en tot priester gewijd. Van 1851—'53 studeerde hij in de natuurwetenschappen aan de universiteit te Weenen; later werd hij prelaat in dat zelfde klooster. Mendel is beroemd geworden door zijn proeven met planten in den kloostertuin te Brünn. Het resultaat van zijn proeven publiceerde hij, maar niemand sloeg er acht op en niemand had oog voor het gewicht dier resultaten voor de studie der erfelijkheid. Eerst omstreeks 1900 werd door tal van onderzoekers als Correns, Tschermak, Bateson, Davenport en Bauer, ingezien en bevestigd, hoe juist de regels waren, die Mendel had opgesteld over het overerven van eigenschappen. In 1911 heeft men voor hem te Brünn een marmeren standbeeld opgericht. [ 38.

Mendelssohn. I. Mozes Mendelssohn was zeker wef de invloedrijkste der Joden uit de 18e eeuw. Met hem komt er een keerpunt in de geschiedenis der Joden. Hij werd geboren in 1729 te Dessau, als zoon van een Thoraschrijver. 14 jaar oud, kwam hij reeds naar Berlijn, om daar onder leiding van Rabbi David Frankel in den Talmud te studeeren.

Al vroeg kwam er een drang naar beschaving en ontwikkeling in hem. Hij ging niet alleen Maimonides' werken bestudeeren, maar maakte zich ook de beginselen der Duitsche literatuur eigen. Eerst na jaren sprak hij goed Duitsch, zóó had het Joodsche Jargon hem parten gespeeld.

In 1754 leerde hij Lessing kennen, die zich zeer voor Mendelssohn interesseeerde, en hem in een kring van Christengeleerden introduceerde, in een tijd, toen de meesten der Christenen zich geheel afzijdig hielden van de Joden. In 1755 maakte Lessing Mendelssohn's Philosophische gesprekken persklaar.

Mendelssohn leverde allengs verschillende bijdragen voor Nicolaï's Bibliotheek der schoone letteren.

In 1763 werd bij een door de Academie van Wetenschappen uitgeschreven prijsvraag Mendelssohn's antwoord als 't beste met 50 dukaten bekroond, terwijl Kant om zijne beantwoording slechts een goede vermelding kreeg. Den grootsten roem verwierf Mendelssohn zich door zijn geschrift (1767): Phaedon of de onsterfelijkheid der ziel, waarin hij filosofisch de onsterfelijkheid der ziel trachtte te bewijzen uit hare eenheid en uit de door Qod den mensch ingeschapen onsterfelijkheidsgedachte.

In twee jaar beleefde dit werk drie drukken, en 't werd in alle Europeesche talen vertaald. Mendelssohn was opeens een beroemd man.

Door een andere gebeurtenis werd zijn geest gericht op de vraag naar de verhouding Van het Christendom en het Jodendom.

Onder zijne geloofsgenooten gold hij bij sommigen als wetsgetrouwe Jood, bij anderen als een vrijgeest, wijl hij niet alle Rabbijnsche voorschriften vervulde.

Over religieuze vragen scheen Mendelssohn nog niet zeer ernstig te hebben nagedacht. Nu stelde Lavater in Zürich hem, in een niet zeer verstandigen bekeeringsijver, openlijk den eisch, om het werk van Bonnet: Onderzoek van de be¬

wijzen van het Christendom tegenover ongeloovigen, bi te weerleggen, öf het voor waar te erkennen en Christen te worden.

Mendelssohn antwoordde in 1769 in een zendbrief, waarin hij waardig, maar toch scherp, Lavater's vordering terugwees en zijn principiëele aanhankelijkheid aan het Jodendom betuigde. Hij achtte Bonnets bewijzen niet overtuigend, en had van anderen wel betere apologieën van het Christendom gelezen.

Mendelssohn antwoordde Lavater later, toen deze om verschooning vroeg: „Kom, en laten wij elkander in gedachten omhelzen. Gij zijteen Christelijk prediker, ik een Jood. Wat doet dat ertoe ?"

Van Mendelssohn mag getuigd, dat hij, schoon Jood, niet een vijandige gezindheid koesterde jegens het Christendom.

Zoo moet hij met genoegen de brieven van den apostel Paulus gelezen hebben, wijl ze vol zijn van zedelijk-godsdienstige ideeën.

Mendelssohn maakte zich bij de Talmudische Joden verdacht door zijn intiemen omgang met niet-Joodsche personen, als dichters, professoren enz., en ook, wijl hij niet iederen morgen naar de Synagoge ging.

Wel hield hij trouw de Sabbathen, de feestdagen en de spijswetten.

Iederen morgen was erin zijn gezin een huiselijke godsdienstoefening, waarbij hij voor zijne kinderen den Bijbel verklaarde.

Van bijzonder belang voor het Jodendom werd het, dat Mendelssohn een Duitsche vertaling van de vijf boeken van Mozes bezorgde.

Wel plachten de Joodsche knapen reeds zeer jong de boeken van Mozes in 't Hebreeuwsch van buiten te leeren, maar de Rabbijnsche en Kabbalistische uitleggers hadden den eenvoudigen zin der Schrift zóó verminkt, dat zij daarin dikwerf allerlei zagen, behalve den waren inhoud.

Daarom achtte Mendelssohn een eenvoudige, juiste vertaling, in goed Duitsch, dringend noodig voor zijn volk.

Opdat echter de Joden het werk zouden aannemen, liet hij door den Poolschen Rabbijn Salomon Dubna een Hebreeuwschen kommentaar vervaardigen, die bij de vertaling werd afgedrukt.

De vertaling zelf werd ook met Hebreeuwsche letters gedrukt, omdat de Joden nog geen Duitsch schrift konden of wilden lezen.

Mendelssohn's niet-Joodsche vrienden wierven veel Christelijke inteekenaars ervoor.

In 't jaar 1783 was het boek compleet.

De Rabbijnen trachtten de uitgave te verhinderen, 't Lezen toch van een Duitsch boek beschouwden zij reeds als een bewijs van goddeloosheid.

En men wachtte schade van dit boek voor 't naïeve geloof in het Rabbinistische leersysteem.

In Ffirth werd Mozes Dessau's Duitsche Pentateuch in den ban gedaan.

De Joodsche jeugd, geprikkeld door der Rabbijnen tegenkanting, wierp zich met te meer begeerte op het nieuwe boek.

In 't geheim leerden de Talmoedjongenserde Duitsche taal uit, en deze opende hun den toegang tot al de cultuurschatten van het Duitsche volk.