is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

276

MUIS — MULDER

geregelde bestudeering van de nieuwste buiten* landsche composities. Eindelijk heeft de Muiderkring invloed geoefend op de ontwikkeling der dramatische kunst, in dien zin, dat Hooft en de zijnen de stof leverden en de jongere leden van d' Eglentier, de Amsterdamsche Rederijkerskamer, als spelers optraden. De glorie onzer nationale letterkunde is aan de 17e eeuwsche bloei onafscheidelijk verbonden en in die 17e eeuwsche glansperiode is de Muiderkring met zijn gevierden leider het centrum, verzamelpunt en daarom uitgangspunt. [ 45.

Muis. Muizen (muridae) zijn zoogdieren, die een familie vormen van de orde derknaagdieren (rodentia). Zij zijn over de geheele aarde verspreid, voeden zich meest met planten en hebben

de tandformule aa&er Ook ratten en hamsters worden tot de muizen gerekend. Bij de Israëlieten behooren ze tot de onreine dieren (Levit. 11: 29; Jes. 66 : 17). Eenige bekende soorten zijn: huismuis (mus musculus), een mooi, slank, vlug dier met een spitsen snuit en een langen geschubden staart; zwarte rat (mus rattus); waterrat (arvicola amphibius), de grootste Nederlandsche rat; hamster (cricetus vulgaris), in Europa en West-Azië; en de buitengewoon vruchtbare en uiterst schadelijke veldmuis (microtus of arvicola arvalis). Dit laatste dier wordt hoogst waarschijnlijk bedoeld, waar in den Bijbel van muizen sprake is (1 Sam. 6). De veldmuis is iets grooter dan de huismuis, maar heeft korter ooren en een korteren staart; de lengte van haar lichaam bedraagt II, van haar staart 3 centimeter. Van boven is zij geelbruin, van onderen vuilwit. Zij leeft in bijna geheel Europa en in het Westen van Azië. In Engeland en op eenige groote eilanden (Corsica, Sardinië, Sicilië) in de Middellandsche zee komt zij niet voor. Zij woelt in den grond en eet wortels van jonge planten. Overigens voedt zij zich met alle op het veld groeiende gewassen, zooals koren, peulvruchten, knollen, aardappels. Zij is even behendig in loopen en springen als in graven en zwemmen. Het wijfje werpt zes keer in 't jaar van 5 tot 8 jongen. Gelukkig voor den mensch heeft de veldmuis veel vervolgers, zooals wezel, bunsing, buizerd, kerkuil, steenuil, velduil, ooievaar, reiger. Velen meenen, dat het Hebreeuwsche woord akhbar een groot aantal soorten van muisachtige knaagdieren omvat. [ 31.

Muiterij, weerspannigheid of feitelijke insubordinatie van twee of meer personen tegen de boven hen gestelde macht, is een ernstig misdrijf, waarop strenge straffen zijn gesteld. Muiterij van militairen valt onder de strafbepaling van artikel 119, en voor zoover deze aanboord van Nederlandsche oorlogsschepen wordt gepleegd, bovendien onder die van artikel 120 van het Wetboek van Militair Strafrecht.

Het teweegbrengen of bevorderen van muiterij onder het krijgsvolk is strafbaar krachtens artikel 102, het uitlokken daarvan krachtens artikel 204 van het Wetboek van Strafrecht.

Muiterij aan boord van Nederlandsche schepen of zeevisschersvaartuigen wordt als scheepvaartmisdrijf gestraft op grond van de artikelen 396 en 397 van het Wetboek van Strafrecht. [ 52.

Mulder (Gerardus Johannes), geboren te Utrecht 27 December 1802, overleden te Bennekom 18 April 1880. Kort na zijn promotie inde geneeskunde en in de pharmacie trad hij alt practisch medicus te Amsterdam op (Juli 1829). Zeven maanden later ging hij naar Rotterdam, insgelijks als geneesheer, aangetrokken door het lectoraat aan het Bataafsch genootschap, dat hem werd toegezegd en dat hij dan ook verkreeg. Spoedig daarop kwamen botanische lessen voor apothekersleerlingen. Daarop volgde in 1827 de Stichting der Geneeskundige School, aan welke Mulder tot lector in de botanie werd benoemd, waarbij weldra het lectoraat in de chemie werd gevoegd. In 1835 liet hij het grootste gedeelte der practijk varen en wijdde zich voortaan meer onverdeeld aan onderwijs en onderzoek, bepaaldelijk in practische chemie. Zijn uitgegeven onderzoekingen vestigden weldra de aandacht op hem, vooral buitenlands, en met de ondersteuning van Berzelius, Faraday en Liebig gelukte het zijn vrienden, hem in 1840 tot hoogleeraar te Utrecht te doen beroepen. Hier begon nu eerst recht zijn arbeid als onderwijzer en als schel» kundige. Niet zelden werd de universiteit om zijnentwil door buitenlanders bezocht, die zich onder hem in chemie kwamen oefenen. Ook was hij de ziel van onderscheidene gezelschappen, zoowel van wetenschappelijken als van gezelligen aard; en zoo gold hij jaren lang in Utrecht als een der meest populaire mannen. Aan het hoofd eener politieke vereeniging „Vaderland en Koning" genaamd, trad hij ook op als een warm voorstander der Aprilbeweging van 1853 en van de daarop gevolgde orde van zaken. In het najaar van 1853, tijdens Mulder rector magnificus der hoogeschool Was, had de plechtige hulde aan den koning plaats, omringd door een schare van aanzienlijke mannen. Een groot schilderstuk,aanwezig ten stadhuize te Utrecht, bewaart nog de herinnering daaraan. [ 30.

II. Lodewijk Mulder, geboren 1822, gestorven 1907, officier-instructeur aan de Militaire Academie te Breda, later te Den Haag, en na zijn pensioeneering inspecteur bij het Lager Onderwijs, was beoefenaar van letterkunde en geschiedenis. Zijn zin voor humor, zijn geestigheid en neiging tot komische hekeling maakten hem als vanzelf aanhanger van het humoristischrealisme (schildering van de werkelijkheid in humoristischen, licht-spottenden toon), dé richting, die naast de Romantiek in de middenjaren der 19e eeuw overheerschte. In Den Haag was hij dan ook lid van den kring der humoristen, den zg. „Spectatorkring", en ook in zijn denken was hij een der hunnen: liberaal, belangstellend in politiek, onderwijs, opvoeding en voorstander van de moderne theologie. Reeds in zijn militairen tijd had hij zich bekendheid verworven met z'n parodie opdeleger-administratie Stokvisch-orders, maar als humoristisch copiëerder van het dagelijksch leven trad hij vooral op den voorgrond in den bundel Afdrukken van Indrukken, dien hij samen met zijn vriend Mark Prager Liado schreef. Zijn schetsen Een buitenpartijtje (navolging van de familie Stastok uit de Camera) en Iets uit den tijd toen ik nog een lief vers maakte behooren tot het beste van wat die bundel bevat.