is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

320 NAZIREËR -

Nazireër. Het Hebreeuwsche nazlr is een

lijdende vorm van het werkwoord naz&r, dat in den causatieven vorm voorkomt in de z.g. wet op het Nazireërschap van Num. 6 in den zin van „zich wijden aan den Heere". Zoo b.v. vs. 2 „wanneer iemand een bijzondere Nazireërgelofte aflegt en' zich den Heere wijdt". Een nazïr is dus een „aan Qod gewijde". Zoowel man als vrouw kan zich tijdelijk tot zulk een „gewijde" maken door zich van alle prikkelende dranken te onthouden (zelfs geen druiven eten!), iedere aanraking met een doode te vermijden en zijn haar te laten groeien. Deze voorschriften zijn duidelijk. De „gewijde" moet nuchter zijn van zin en krachtig van geest, precies zooals een priester gedurende zijn diensttijd zich van wijn moet onthouden (Lev. 10 : 9). Wijl den Heere heilig (Num. 6 : 8), moet hij iedere aanraking met een doode mijden evenals de hoogepriester (Lev. 21 : 9). En eindelijk mag hij de goddelijke kracht, die uit den haargroei spreekt, niet op kunstmatige wijze inperken evenmin als dat geschieden mag bij den wijnstok in het sabbatsen jubeljaar (Lev. 25 : 5, 11). Wordt gedurende zijn Nazireërtijd door een gebeurtenis, onafhankelijk van zijn wil — en dat wil dus alleen zeggen: door onverwachte aanraking met een doode — de aan het Nazireërschap verbonden heiligheid geschonden, dan moet alles van voren af beginnen, wat door het scheren van het hoofdhaar wordt aangeduid, en moet een zoenoffer worden gebracht.

Dit tijdelijke Nazireërschap, waarvan we in het Oude Testament verder geen voorbeelden vermeld vinden, maar waarop misschien Am. 2 : 11 wordt gezinspeeld, vinden we in het Jodendom terug. In het Nieuwe Testament hooren we van zulk een tijdelijk Nazireërschap bij Paulus, misschien niet Hand. 18 : 18, maar zeer zeker 21 : 23 v.v.

Behalve dit tijdelijke Nazireaat, dat vooral in het tot ascese zoo geneigde Jodendom groote uitbreiding kreeg en dikwijls op zoo onbezonnen wijze werd opgenomen, dat vastgesteld moest worden welke belofte van Nazireaat bindend was en welke niet, kent het Oude Testament nog een tweeden vorm, waarbij de wil van den betrokkene geheel werd uitgeschakeld en des Heeren wil iemand reeds vóór zijn geboorte op zeer bijzondere wijze in zijn dienst stelde. Dit is het Nazireaat voor het leven. Dit geldt van Simson en johannes den Dooper en in zekeren zin ook van Samuël. Bij Simson, wiens moeder gedurende den tijd harer zwangerschap zich op zeer bijzondere wijze heiligen moet, treedt Gods wil bepalend op en wordt uitdrukkelijk van het kind vastgesteld, dat het een „Nazireër Qods" zal zijn (Richt. 13 : 3—5). Bij Johannes den Dooper wordt aan de moeder geen bepaalde leefwijze voorgeschreven, wordt met betrekking tot het kind geen eisch gesteld van onbeperkten haargroei, wordt ook het woord Nazireër niet gebruikt (Luk. 1 : 15). Ligt hierin misschien een stil protest tegen de verwording van het Nazireaat bij het Jodendom ? Wat eindelijk Samuël betreft, hier hooren we niet van een goddelijke wilsbepaling. De biddende Hanna doet de gelofte

NEANDER

haar kind te zullen maken tot wat de Joden

noemden een nëzir öldm, een Nazireër voor het leven, ook al wordt het woord zelf niet gebruikt (1 Sam. 1 : 11).

Dit wijden van het leven aan den dienst van Qod wordt niet alleen bij Israël gevonden. Ook Babel heeft zijn „gewijden" gehad, maar daar waren het dezulken, die hun lichaam in dienst J der godheid, speciaal in dienst van Astarte stelden en dus zich maakten tot „schandjongens" I en „schandmeisjes". Zoo hooren we ook nog in een later periode van vrouwen, die zich wijddeji aan den dienst van Belt is en daarom nïzïr werden genoemd. Maar het is ook zonder meer duidelijk, dat dit met Israëls Nazireaat niets van doen heeft. Bij Israël is het een zich onttrekken I aan demonische machten (onthouding van prikkelende dranken), een reinhouden van leven (geen aanraking met een lijk) en een niet- I beperken van levenskracht (geen verhindering van den haargroei) ten einde zoo geschikt te zijn voor de inwerking van Hem, die zijn heiligheid in Israël wil indragen en zijn kracht door Israël wil tot openbaring brengen. [ 3.

Neander (Johann August Wilhelm), geboren 17 Januari 1789 te Göttingen, zoon van den Joodschen koopman Mendel en een bloedverwant van Mozes Mendelsohn. In 1803 kwam de begaafde knaap in het Johanneum te Hamburg en door den rector Gurlitt werd hij in de j klassieke talen onderwezen. In 1805 kwam hij I op het gymnasium in Hamburg. Hij werd student in de rechten. In Plato vond hij zijn ideaal. Zijn I besluit werd om tot het Christendom over te gaan. In 1806 werd hij gedoopt. Hij nam nu zijn nieuwen naam van Neander d. i. nieuwe mensch aan. In 1806 begon hij theologie te studeeren. Hij werd een geestdriftige leerling van Schleiermacher. Te Halle zat hij aan diens voeten. Door de opheffing van de universiteit te Halle door Napoleon moest hij naar Göttingen vertrekken. Daar legde hij zich vooral onder den invloed van Planck toe op de kerkgeschiedenis. Onder den invloed van Dr Heise, waarschijnlijk ook onder invloed van Matthias Claudius, in wiens geboorteplaats Neander zijn eerste preek hield, neigde hij meer en meer tot de positieve richting. In 1809 verliet hij de universiteit, en hij vestigde zich in 1811 te Heidelberg. In 1812 werd hij buitengewoon hoogleeraar. In 1813 werd hij hoogleeraar te Berlijn. Veel had hij te dragen in zijn leven, vooral door krankheid aan de oogen. Hij stierf in 1850. Neander was een man van hoogstaand karakter. Daarenboven een bijbelgeloovige, hoewel geen Qereformeerd man. Als leeraar was hij ongewoon geacht. Hij oefende grooten invloed uit op zijn leerlingen, die hem zeer veel liefde toedroegen. Zijn huis was iederen Zaterdag een verzamelplaats voor studenten. Hij steunde arme studenten zeer dikwijls. Neander had een aangename voordracht en hij sprak overtuigend, omdat hij zelf van de waarheid overtuigd was welke hij anderen verkondigde. Hij liet veel geschriften na, o.a. Het teven van Jezus (tegen Strausz). Hij las over dogmatiek (biblicistisch), symboliek, na Schleiermachers dood ook ethiek, maar het zwaartepunt van zijn arbeid lag op