is toegevoegd aan uw favorieten.

Christelijke encyclopædie voor het Nederlandsche volk

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

NIEUWE MAAN — NIEUWE TESTAMENT

361

hun persoonlijken arbeid, als resultaat zoowel der algemeene als der bijzondere genade, blijven en gaan in de heerlijkheid in. Kortom de grondelementen der oorspronkelijke schepping, van stof en steen, van de planten- en dierenwereld, zullen in verheerlijkten vorm op de nieuwe aarde terugkeeren. In Openb. 21 : 1, 4, 25 worden de zee, de dood, de duisternis en de nacht uitgezonderd. Over de zee is echter verschil van gevoelen. Sommigen meenen dat het vuur haar verteren en zij zelf verdwijnen zal (zoo H. E. Gravemeijer, Gereformeerde Geloofsleer, 21ste stuk, blz. 173), terwijl anderen van oordeel zijn, dat zij als schepsel Gods niet een kwaad, maar een zegen is en ook in de heerlijkheid blijven zal, en alleen de vloek der verbolgenheid van haar zal weggenomen worden (zoo J. J. Knap, Oude Paden, le jaarg. no. 17, blz. 156). Trouwens als de organische grondelementen van den ganschen kosmos, zooals stof, plant en dier, herschapen zullen worden, zouden dan het water en de visschen daartoe niet behooren ? En voorts, wij kunnen ons toch geen verheerlijkten en toch een verminkten kosmos denken, van alle overige schepselen ontdaan en alleen door engelen en zaligen bewoond.

Eindelijk is de vraag, waar de zaligen eens zullen leven en welke hun bestemming zal zijn? Sommigen, als Walaeus, zeggen, dat zij in den hemel zullen zijn en wijzen daartoe op al die teksten, die zeggen, dat hun loon, hun schat, hun beter en blijvend goed, hun eeuwig huis, hun vaderhuis, in den hemel zullen zijn (Matth. 5 : 10, 13; 19 : 14; Luc. 12 : 33; Joh. 14 : 2; 2 Cor. 5:1; Hebr. 10 : 34). Anders zouden de geloovigen, die tegen het einde der wereld sterven sléchts een weinig tijds in den hemel zijn en zij, die bij den jongsten dag levend overgebleven zijn, nooit in den hemel komen, wat ongerijmd en tegen Gods beloften zou zijn (Synopsis Puriorls Theologiae, Disp. LH, 36; Kantt. op Openb. 22:2). Anderen, zooals Hodge, zijn van oordeel, dat zij de nieuwe aarde zullen bewonen en beroepen zich op teksten als Matth. 5:5: „Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het aardrijk beërven". Derden, zooals Bavinck en Kuyper zijn echter van oordeel, dat de tegenstelling van hemel en aarde dan verdwenen zal zijn, wijl volgens Openb. 21 : 10 het nieuwe Jeruzalem eens van God uit den hemel zal nederdalen. Beide uitdrukkingen zijn dan waar, n.1. dat wij eeuwiglijk in den hemel zullen zijn en tegelijk eeuwiglijk de aarde zullen beërven, omdat de tegenstelling opgeheven is en de hemel op aarde is neergedaald. Dan zullen de gezaligden hun oorspronkelijke bestemming bereiken om als profeten, priesters en koningen eeuwig hun God te verheerlijken (Openb. 20 : 6). Wel zegt de Schrift, dat zij daar rusten zullen van hun aardschen arbeid (Hebr. 4:9; Openb. 14 : 13), maar het hemelleven is toch geen zalig nietsdoen of een soort droomend schimmenleven. In Openb. 1:6; 5 : 10; 20 : 6; 22 : 5 wordt er sterken nadruk op gelegd, dat zij als priesters God Drieëenig in Zijn verheerlijkte schepping zullen dienen; en als koningen met Hem zullen heerschen op de aarde in alle eeuwigheid. [11.

Nieuwe maan. Als de smalle sikkel van de maan voor het eerst na de donkere maan weer zichtbaar werd aan den hemel, was er blijdschap in Israël. De verschijning van de maan werd in latere tijden aan heel het volk door het Sanhedrin bekend gemaakt door vuursignalen van den Olijfberg, doch toen de Samaritanen uit vijandschap door moedwil dit teeken niet meer zeker stelden, geschiedde dit door boodschappers. Als door de weersgesteldheid de sikkel niet kon worden gezien, konden geen boodschappers komen om het Sanhedrin te verwittigen dat de nieuwe maan was aangebroken. De nieuwe manen nu werden door de Israëlieten als heilige dagen gevierd; dan was er vreugde in het land. Zij worden op vele plaatsen genoemd in eenen adem met de sabbatten (jes. 1 : 13; Ez. 46 : 1, 3; 2 Kon. 4 : 23; Am. 8 : 5 en Jes. 66 : 23). Gemeenlijk lag het werk zoowel als het handelsverkeer dan stil, gelijk dit voor den sabbath naar de Wet was voorgeschreven (Am. 8 : 5). Dan werd de vergadering samengeroepen (Jes. 1 : 13) en predikten de profeten het woord Gods (Hagg. 1:1) en plachten de vromen tot de profeten te komen (2 Kon. 4 : 23). Op dezen dag werden feestmaaltijden gehouden; er was blijdschap over het opnieuw weer zichtbaar worden van de maan. Ja aan het hof van Saul werd ook op den tweeden dag nog de familiefeestmaaltijd gevierd (1 Sam. 20:5, 27). Dit feest werd niet enkel bij het heiligdom gevierd, maar door het gansche land.

In Num. 28:11—15 worden de offers genoemd, die dan moesten worden gebracht, zonder dat wij verder iets lezen over de inzetting van dit feest en op welke wijze het moest worden gevierd. Alleen lezen wij in Num. 10 : 10: en in de beginselen uwer maanden, zult gij ook met trompetten blazen. Het nieuwe maanfeest is naar alle waarschijnlijkheid van vóór-Mozaïschen oorsprong en werd ook gevierd door de omliggende volkeren. Het is allicht in de schepping gegrond, daar het toch de Heere is die het groote licht tot heerschappij des daags en het kleine licht tot heerschappij des nachts maakte en tot teekenen en tot gezette tijden (Gen. 1:16,14).

De nieuwe maan van de zevende maand is in den feestkalender opgenomen en is door de Wet geregeld en draagt het karakter van een sabbat. Alle werk moest dan rusten en eene godsdienstige samenkomst worden gehouden (Lev. 23 : 24 vv.). De offeranden dienden te worden vermeerderd (Num. 29 : 1 vv.). Het trompetgeschal werd dan verhoogd (Lev. 23 : 24: eene gedachtenis des geklanks; een dag des geklanks, Num. 29:1; de bazuin des geklanks, Lev. 25:9). Op dezen dag begonnen de teruggekeerden onder Ezra den Heere brandofferen te offeren (Ezra 3:6), en las hij op plechtige wijze aan het volk het boek der Wet voor. Na de ballingschap werd deze nieuwe maan de nieuwjaarsdag. [ 8.

Nieuwe Testament, a. Begrip. Wanneer wij spreken van het Nieuwe Testament, bedoelen we daarmede, dat de zeven en twintig boeken, die we in het Nieuwe Testament vinden, niet slechts door betrekkelijk toevallige omstandigheden gebundeld zijn, b.v. omdat ze alle dagteekenen uit denzelfden tijd, of omdat ze de